Ieder zijn eigen Europa

`For the Dutch and French, not the same Europe'. Toen ik dinsdag deze kop las boven een artikel in de International Herald Tribune, dacht ik onmiddellijk: dat heb ik al jarenlang beweerd: iedere Europese natie staat een eigen Europa voor ogen, een soort verlengstuk van eigen verleden, eigen ambities, eigen idealen.

Maar John Vinocur, de schrijver van de analyse in de IHT (waarvan gisteren een vertaling op deze pagina verscheen), heeft het deze keer slechts over Nederland en Frankrijk. Begrijpelijk, want de Fransen stemmen op 29 mei en de Nederlanders op 1 juni over wat in de wandeling de Europese Grondwet wordt genoemd (een misleidende term, want het gaat namelijk over een verdrag: het ,,Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa'').

,,Hoe ze ook zullen stemmen, de Fransen en de Nederlanders zien twee Europa's'', twee verschillende Europa's. Vinocur beperkt de verschillen in visie tussen Nederland en Frankrijk tot het verschil in economische aanpak (etatisme versus liberalisme) en het verschil in de houding die jegens Amerika ingenomen moet worden (zeer globaal: tegen versus voor).

Die verschillen zijn niet van tijdelijke aard, maar wortelen dieper in het verleden van de twee landen dan in Vinocurs analyse naar voren komt. Nederland is altijd een handelsland geweest, dat als zodanig belang had bij vrije handel. Frankrijk daarentegen heeft een protectionistische traditie, daterend van de 17de eeuw.

Als handelsland was Nederland vanouds gekeerd tegen machtspolitiek (behalve, zolang het machtig was, ter verdediging of bevordering van zijn handelsbelangen), terwijl Frankrijk, zoals alle dynastiek geregeerde landen in vroeger tijden, machtspolitiek ter wille van de macht voerde. Dit verschil in conceptie werkt door tot vandaag – ook in de Franse kijk op het toekomstige Europa.

Nederland heeft, én als klein land én als handelsland, baat bij een internationale rechtsorde. Het verenigd Europa is daar, in Nederlandse ogen, een concrete uiting van: het `civiele Europa' van het kabinet-Den Uyl. Frankrijk, daarentegen, is weliswaar geen grote mogendheid meer, maar denkt nog wel als grote mogendheid. Het kan in het toekomstige Europa slechts een Europe-puissance zien.

Hier komt Frankrijk in conceptuele moeilijkheden. Immers, denkend als grote mogendheid kan het geen afstand doen van zijn nationale soevereiniteit – ook niet aan een Europe-puissance. Logisch is het dan dat het Europa slechts kan zien als een verlengstuk, zo niet als een instrument, van de Franse politiek. Maar daar zijn niet alle Europese partners voor te vinden – Nederland zeker niet.

Denkend in die machtstermen, wenst Frankrijk geen indringers in zijn Europa. Vandaar dat de Gaulle tweemaal zijn veto uitsprak over de Britse aansluiting bij Europa. Toen dat, na zijn dood, niet meer vol te houden was, werd Amerika bij uitstek de macht waartegen Europa zijn krachten moest bundelen, met als hoogtepunt: het conflict om de oorlog in Irak. Maar ook hier volgden niet alle Europese landen Frankrijk.

Het gaat er niet om wie gelijk heeft en wie niet, maar het kan niet anders of deze verschillen in visie uiten zich in de politiek van de verschillende Europese landen, uiten zich ook in het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa. Dat wil zeggen: daarin zijn die verschillen in visie naast elkaar terug te vinden – zonder dat er een keuze is gemaakt of naar een synthese is gestreefd.

Zo bevat het sporen van zowel neoliberalisme als van dirigisme, en wat de externe politiek betreft, die blijft stevig in handen van de 25 nationale staten. Geen Europese superstaat dus. Het komt daarom niet zozeer op het Verdrag (of, zo u wilt de Grondwet) aan alswel op de interpretatie ervan. En wiens interpretatie de overhand krijgt is, zoals vanouds, een kwestie van krachtmeting tussen die 25 landen. Voor de een zal dat een opluchting zijn, voor de ander een teleurstelling.

Eigenlijk is het verdrag het rumoer dat het heeft veroorzaakt niet waard. Maar dat komt voornamelijk doordat het al spoedig voor het gemak grondwet is genoemd. Bij een grondwet wordt een staat geconstitueerd, waaraan de constituerenden (in dit geval: de soevereine staten) de macht overdragen. Bij een verdrag blijven zij soevereine staten (al zijn zij bij vorige verdragen op sommige gebieden al veel van hun nationale zeggenschap kwijtgeraakt).

Met andere woorden: als het stuk waarover Frankrijk en Nederland over enkele dagen gaan stemmen – een boekwerk van bijna vijfhonderd pagina's, wat op zichzelf in strijd is met aard en doel van een grondwet – gewoon, overeenkomstig zijn titel, verdrag was blijven heten, zou het waarschijnlijk minder rumoer hebben veroorzaakt en behandeld zijn geweest als het Verdrag van Nice, dat van Amsterdam en voorgaande verdragen.

Daar komt natuurlijk bij dat in sommige landen, waaronder Nederland en Frankrijk, besloten is het te onderwerpen aan een referendum, waardoor het aanleiding heeft gegeven tot veel demagogie, oneigenlijke argumentatie (Turkije!) en misverstanden (te beginnen over de aard van het stuk). Wat Nederland betreft, heeft de volksvertegenwoordiging, door met het referendum een Fremdköper van directe democratie in het bestel toe te laten, een zeldzaam staaltje van vlucht voor eigen verantwoordelijkheid, dus onmacht, ten beste gegeven.

Dat mag echter voor de loyale staatsburger geen reden zijn om op 1 juni niet naar de stembus te gaan. Maar voor wie het uitbrengen van zijn of haar stem niet ziet als een oefening in reincultuur die in een internationaal-politiek luchtledig gehouden wordt, maar juist rekening wil houden met de internationale context waarin het referendum gehouden wordt, zal de uitslag van het Franse referendum, dat drie dagen vóór het Nederlands plaatsvindt, mede bepalend zijn bij het uitbrengen van zijn stem. Maar daarover de volgende keer.