`Het format is heel simpel: alleen maar lachen. Maar verder kan ik er nog niets over zeggen'

Voor de vervloekte generatie waarvan ik deel uitmaak hoorden de woorden antikapitalistisch en anti-elitair bij elkaar. Wie tegen het kapitalistische zwijn was, en wie was dat niet, was geheel gratis en in één ruk door anti-elitair. De gewone man hoorde op de troon.

Iedereen die links en zweverig was, en wie was dat niet, dweepte met de wereld van de gewone man, met het levenslied, het damesblad en de volkse humor. Zolang het niet elitair was. Op de universiteit diende een leerstoel te komen in de Donald Duck-kunde. Literatuur op scholen moest worden afgeschaft, want daar kregen de kansarme kindertjes maar koppijn van. Het woord elitair groeide uit tot scheldwoord. Wie elitair was stonk en hing al aan de galg.

Anti-elitair was goed, fijn, gepast. Wie niet anti-elitair was maakte geen deel uit van het legioen dat de wereld eventjes zou opknappen.

Sommigen herinneren zich wellicht nog in welk verpletterend tempo de vervloekte generatie waarvan ik deel uitmaak het antikapitalisme afzwoer. Het was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Wie tegen het kapitaal was had ineens afgedaan. Antikapitalisme was belachelijk en nutteloos.

Langharige hippies, die kort daarvoor met hun hoofd in de hasjwalmen nog pamfletten hadden uitgedeeld waarin ze opriepen tot solidariteit met het Lichtend Pad en Mao, ontpopten zich tot kwieke ondernemers. De kraker werd horecabaas. De revolutionair omroepdirecteur. De zeepkistredenaar toverde een media-imperium uit de grond. Wie pro-terroristische pamfletten had gestencild drukte nu glimmende autobladen.

Aan de horizon, waar zojuist hamer en sikkel hadden getriomfeerd, doemden nu gouden bergen op. Geldverdienen was toegestaan, geld was geweldig.

Het verbazingwekkende is dat iedereen de mond vol had van het einde van het antikapitalisme en dat je geen mens hoorde over de overtolligheid van het anti-elitaire tweelingbroertje. Welvarend links deed er het zwijgen toe. Had met de strijd tegen het kapitalisme niet ook de kruistocht tegen alles wat als elitair werd beschouwd begraven moeten worden? De economie werd als een verloren zoon door links binnengehaald. Had men niet ook verguisde elitaire zaken als onderwijs, kunsten en wetenschappen in ere moeten herstellen? Antikapitalisme en anti-elitair waren toch twee kanten van dezelfde gedevalueerde medaille?

Geen woord.

Logisch, want anti-elitair is nooit links geweest. Anti-elitair kwam de zakkenvullers en grootverdieners altijd al goed uit. Geen wonder dat onze geheel vernieuwde socialisten over een eventuele afschaffing van anti-elitaire sentimenten zwegen als het graf.

Elite bleef een scheldwoord.

Ik heb de generatie waarvan ik ongevraagd deel uitmaak wel eens een generatie van verraders genoemd. Vriendelijker kon ik me niet uitdrukken. Dat ze het anti-elitarisme bleven omhelzen maakt ze tot verraders in het kwadraat. Vierentwintig uur per etmaal rotzooi op het geldkloppersinstituut dat televisie heet, een literatuur die zelden zo armoedig was, een aan flarden gereten universiteit, een volk dat tussen stotteren en brullen geen taal meer kent, de heren van de revolutie worden bedankt.