Burger gaat alsnog stemmen over de euro

Veel Nederlanders zien het referendum over de EU-Grondwet vooral als manier om hun woede te uiten over de dure euro. Maar zijn we nu wel of niet getild bij de afschaffing van de gulden?

Zijn we bedrogen met de euro? De koers waartegen de gulden per 1999 in de euro opging is de laatste weken onderwerp van een hevig debat dat een rol lijkt te gaan spelen bij het komende referendum van 1 juni over de Europese Grondwet.

Directe aanleiding was een vraaggesprek van directielid H. Brouwer van De Nederlandsche Bank in het Parool van 30 april, waarin hij aangaf dat de gulden voorafgaand aan de invoering van de euro tussen de 5 en 10 procent was ondergewaardeerd tegenover de Duitse mark.

Dat is niet nieuw: in maart 1996 werd in deze krant al gewag gemaakt van een sluipende onderwaardering van de gulden tegenover de Duitse mark, met name op basis van een verschil in loonontwikkeling tussen Duitsland en het loonmatigende Nederland.

In 1999 erkende de Bank dat er intern over een opwaardering van de gulden gesproken was, en in 2001 werd bekend dat een voorstel daartoe destijds aan de Duitsers is voorgelegd. Die waren tegen: discussie gesloten.

De gulden zat, op een kleine bijstelling na in het begin van de jaren tachtig, muurvast aan de Duitse munt. De mark is overigens de enige munt waarbij dit fenomeen van onderwaardering van de gulden zich overtuigend voordoet. Ten opzichte van andere munten die in de euro zouden opgaan (onder meer de franc en de lire) was daar veel minder of geen sprake van.

Is er werkelijk schade geleden door de te lage eurokoers van de gulden? Dat is eigenlijk niet zo goed uit te maken. Er is geen vergelijkingsmateriaal; het scenario waarbij de gulden tegen een hogere koers de euro in zou zijn gegaan heeft zich niet voorgedaan. Dat maakt van de voors en tegens van een hogere instapkoers enkel een theoretische exercitie.

In theorie zou er binnenslands weinig veranderd zijn als het publiek méér euro's voor zijn gulden had ontvangen. Stel: iemand had 22 gulden op zak en kon daar 10 broden van 2,20 gulden voor kopen. Na de omwisseling had hij 10 euro, en kon hij daar 10 broden van 1 euro voor kopen. Als de gulden 10 procent duurder de euro in was gegaan, had hij evenwel elf euro gekregen. Ha, rijker! Maar de broden zouden ook anders zijn omgerekend, en kostten nu 1,10 euro. Hij had er nog steeds maar tien kunnen kopen.

Waar de koers er wél toe doet, is de verhouding met het buitenland. Bij een duurdere gulden zou de koopkracht van Nederlanders in het buitenland groter zijn geworden. Goedkoper op vakantie dus, en goedkopere importproducten, zoals televisies, computers of auto's. Daartegenover staat dat buitenlanders in Nederland duurder uit zouden zijn geweest. Minder toeristen hier, en een uitvoer die opeens veel minder concurrerend is. De welvaartstoename ten opzichte van het buitenland zou zijn weggevallen tegen een minder grote bedrijvigheid door het verlies van concurrentiekracht.

De regel is hoe dan ook dat een opwaardering of afwaardering van een munt een tijdelijk effect heeft. Vroeg of laat trekt de ontwikkeling van het binnenlandse prijspeil ten opzichte van het buitenland alles weer recht. Dat is ook wat er gebeurd lijkt te zijn. De Nederlandse inflatie is een paar jaar fors hoger geweest dan die van de overige eurolanden. Maar ook hier is dat effect moeilijk te isoleren.

Hoe dan ook, het Centraal Planbureau constateert in een vanmiddag verschenen memorandum dat effecten op termijn marginaal zijn. ,,Waardeveranderingen in de munt horen bij het economisch leven,'' schrijven onderzoekers Van Ewijk en Gelauff in dat memorandum. Ze wijzen er op dat na de introductie van de euro deze munt eerst 20 procent in waarde daalde tegenover de dollar, en vervolgens 30 procent steeg, met veel ingrijpender gevolgen dan een `marginaal' gewijzigde instapkoers van de gulden in de euro. ,,We hebben weinig gehoord van actiecomités die zich tegen deze waardeschommelingen in de euro verzetten'', aldus de twee economen, die daarmee hun ironie over het huidige guldendebat nauwelijks verhullen.

Economische redeneringen hebben ook hun beperkingen, al was het maar omdat in what if-discussies als deze de retorische kant van de economische wetenschap ten volle kan worden benut door de voor- en tegenstanders. Fundamenteler is dat de euro de harten van de burger nog steeds niet heeft weten te stelen. Dat geldt ook voor Duitsland, terwijl met even veel recht kan worden gezegd dat de juist de Duitse mark tegen een te hoge koers de euro in is gegaan.

Volgens een peiling van de GPD-kranten vanmorgen zegt ruim de helft van de Nederlanders die tegen de Europese grondwet gaat stemmen, dat te doen als protest tegen de invoering van de euro of de mogelijke toetreding van Turkije.

Dat zou kunnen leiden tot een interessante conclusie: een zo buitengewoon ingrijpende stap als het opgeven van de nationale munt zou destijds een referendum waard zijn geweest. De burger is inderdaad niet betrokken geweest bij de vorming van de Economische en Monetaire Unie die de euro heeft voortgebracht, en haalt zijn gram. Het referendum over de euro komt er nu alsnog: op 1 juni.