Slapstick

Het incident werd vele malen herhaald. We kregen het zelfs in slow motion te zien. De vertraagde beelden versterkten de slapstick.

In ziedende vaart koerst het peloton door een Italiaans provincieplaatsje. Geen wonder ook, het zijn de witte Fassa Bortolo-locomotieven die in een lint op kop sleuren om Alessandro Petacchi naar de nakende massasprint te loodsen. De helikopter hangt boven de daken, de lens van de camera registreert het indrukwekkende ploegenspel vanuit de lucht.

Dan wijken de witte stippen. Zij wijken uit voor zwarte stippen. De cameraman zoomt in: er blijken twee burgers midden op de weg te staan. Eén Fassa Bortolo zien we woedend uithalen. Hij mist. Een andere werpt een bidon. Die is raak. De getroffen burger haalt uit. Mis. De andere raapt de bidon op en werpt ermee. Ook mis. Het duo begint zich wild door de nu zo goed als tot stilstand gekomen homogeniteit van het peloton te wurmen – het lijkt op zwemmen. Zij bereiken het trottoir en lijken iets te kalmeren. Intussen is de helikopter sterk gedaald opdat de kijkers thuis niets hoeven te missen. Het geratel trekt hun aandacht, zij kijken omhoog. Wij kijkers kijken via een cameralens opeens recht in de smoelen van twee booswichten. Wij zien hoe ze zich omdraaien en achter de gevels verdwijnen in een stijl die zich het best laat typeren door het woord flaneren.

Twee dagen later – het peloton zat al een paar honderd kilometer verderop – vernam ik dat het tweetal is opgespoord door de politie. Bijzonderheden werden niet gegeven. Wat ze midden in het peloton te zoeken hadden zal wel voor altijd een mysterie blijven. Jammer, jammer, ik heb niet meer zo'n haast als het peloton.

Voetgangers in het peloton, het blijft een schrikbeeld. In de beroepspraktijk heb ik er tallozen ontmoet. Van één ondervind ik nog altijd lage rugklachten. Voetgangers geven niet mee. Het is pats-boem, en je ligt met zijn tweeën gestrekt. Ik heb minstens een handvol voetgangers dood op straat zien liggen. Gek genoeg komt het projectiel (de renner) er meestal (en slechts) met een paar botbreuken vanaf. De twee idioten in de Ronde van Italië wekten een heel oude en verschrikkelijke herinnering op.

Het is de vroege zomer van het jaar negentienhonderdeenenzeventig. Ik ben veertien. Het is de dag van de Grote Wielerronde van Stevensweert. Ik zit op een visstoeltje pakweg vijftig meter voor de finishlijn. Uren geleden heb ik mijn jeugdkoers voltooid, en ik tuur nu naar de laatste bocht waaruit het voltallige peloton van de hoofdcategorie tevoorschijn zal treden om in een massasprint een toef op de dag te draaien.

Het peloton kwam werkelijk als een blok. Het pompende samenspel van lichamen wentelde als een rotsblok in een lawine. Daar waren ze. Daar was de elektriciteit. En daar begon het peutermeisje aan haar oversteek van de straat.

Ze was een jaar of drie, ze droeg een jurkje, ze had asblond haar. Het peloton verslond haar. De speaker zweeg (de ijzige stilte herinner ik me nog het meest). Toen de aswolk was opgetrokken voltooide het peutermeisje gewoon haar oversteek.