Iedereen is gebaat bij werk voor jongeren

Van de jeugdige beroepsbevolking is 13 tot 14 procent werkloos, blijkt uit cijfers van het CBS die gisteren werden gepubliceerd. De hoogste tijd om de handen ineen te slaan en jongeren naar een opleiding of een baan te begeleiden, vindt Steven van Eijck.

Het optimisme van Geert Mak over de toekomst van Nederland valt te prijzen, maar is wel erg bijzonder gemotiveerd. Hij put hoop uit wat in het afgelopen najaar allemaal niet is gebeurd na de moord op Theo van Gogh. Er is geen oorlog uitgebroken en er heeft zich weliswaar een reeks racistische en antimoslim incidenten voorgedaan, maar niet in de grote steden. Zijn analyses zijn altijd boeiend, maar hebben een hoog abstractieniveau, waardoor concrete oplossingen ontbreken. Het is goed dat Mak de discussie aanwakkert over wat hij omschrijft als ,,problemen van een radicaliserende islam en slecht integrerende immigranten''. Zijn conclusie in Opinie & Debat van 14/15 mei onderschrijf ik: ,,Er is maar één mogelijkheid: de dynamiek van de hoop. We hebben geen alternatief'', aldus Mak.

Echter, hoop is niet ons enige alternatief. De door Mak geciteerde Europese pionier Jean Monnet omschrijft het andere alternatief als de dynamiek van de angst. In het spanningsveld tussen deze twee benaderingswijzen van het integratiedebat beweegt de huidige politiek zich. Opvallend, maar begrijpelijk, is daarbij het verschil in benadering tussen de lokale en de landelijke politici. Een wethouder van een grote stad, waarvan de bevolking een zeer geméleerd beeld laat zien, bedenkt zich wel twee keer voordat hij opmerkingen maakt die tweedracht kunnen zaaien. Het was opvallend dat in de verhitte discussies na de moord op Theo van Gogh en een reeks daarop volgende incidenten landelijke politici zich uitspraken lieten ontlokken als: ,,het is oorlog'' en ,,er is sprake van een strijd''.

Het creëren van een wij/zijgevoel is geen oplossing. Alle Nederlanders moeten bij het integratieproces worden betrokken. Maar stel dat wel sprake zou zijn van `strijd', dan kan deze gewonnen worden: door de tegenstander te geven wat hij het liefste wil.

Tijdens mijn gesprekken met autochtone en allochtone probleemjongeren en jeugdcriminelen blijkt telkens dat zij niet verschillen van mij of van een andere willekeurige Nederlander: zij willen een baan of een opleiding, een vriendin of een vriend, geborgenheid in een solidaire en vriendelijke samenleving. Wanneer dit gerealiseerd wordt, zal de winst groot zijn. Vanuit financieel oogpunt: ze worden uiteindelijk gewone belastingbetalers, in plaats van geld verslindende probleemjongeren en criminelen. Vanuit sociaal perspectief: ze worden in de samenleving geïntegreerde verpleegsters, trambestuurders en politieagenten, waaraan grote behoefte bestaat, in plaats van autoruiten intikkende drugsverslaafden en draaideurcriminelen, waarop niemand zit te wachten.

De samenleving zal ook het potentiële gevaar van ontaardend extremisme in de kiem kunnen smoren. De invloed van islamfundamentalisten en rechts- en linksextremisten op probleem- en risicojongeren moet niet worden onderschat – het zijn jongeren die in de maatschappij terugkeren vanuit een justitiële jeugdinrichting of weer op school aan de slag moeten na hun tijd in een time out voorziening, of kinderen op een ZMOK-school voor zeer moeilijk opvoedbare kinderen. Maar het gaat ook om (intelligente) kinderen wier ouders geen tijd voor hen hebben en vinden dat de overheid zich met de opvoeding moet bemoeien.

Bij het bestrijden van jeugdcriminaliteit en het oplossen van het integratievraagstuk moeten de jongeren centraal staan. Ten eerste: het vergroten van hun maatschappelijke betrokkenheid heeft een positief effect op de samenleving. Ten tweede: de sociale integratie van jongeren in de samenleving is gebaat bij het vergroten van hun kennis door middel van opleidingen. Ten derde gedijen de economische integratie en het wennen aan zelfstandigheid en verantwoordelijkheid uitstekend onder het genot van een baan. Is aan die drie voorwaarden voldaan, dan zullen bijvoorbeeld ook huisvestingsproblemen van overlastgevende hangjongeren tot het verleden behoren. Ze zitten immers op school of op hun werk, net als iedereen.

Lokale en landelijke politici dienen zich bezig te houden met het realiseren van deze voorwaarden. De taak van de landelijke overheid is het scheppen van de voorwaarden en het wegnemen van de belemmeringen, zodat de lokale overheden dit beleid kunnen uitvoeren. Landelijk zal ook de stok achter de deur in stelling moeten worden gebracht. Wet- en regelgeving, instrumenten en middelen moeten toereikend zijn om – indien nodig – dwingend te kunnen optreden. Het doel moet zijn dat jongeren vóór hun 23ste een opleiding volgen dan wel een baan hebben.

Wethouders, schoolbestuurders en werkgevers moeten rond de tafel gaan zitten en afspreken hoe zij gezamenlijk kunnen realiseren dat `hun' jongeren op school zitten of werken. Voor alle drie de partijen geldt dat zij vanuit een eigen maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid handelen. Ze zijn uiteindelijk gebaat bij het succes van hun gezamenlijk optreden.

Natuurlijk, er zijn als altijd onmiddellijk obstakels in wet- en regelgeving en maatschappelijke weerstanden te benoemen. Echter, aangezien wetten er voor mensen zijn en niet omgekeerd, kunnen mensen eigenhandig die obstakels te lijf gaan. Het resultaat is dat alle partijen winnen in een strijd die niet behoort te bestaan.

Dr. Steven R.A. van Eijck is door het kabinet aangesteld als Commissaris jeugd-en jongerenbeleid.

www.nrc.nl/opinie

artikel van Mak