Handen af van het centraal schriftelijk

Het centraal examen in het voortgezet onderwijs staat ter discussie. Universiteiten houden echter onverkort vast aan het behoud van een stevig centraal vwo-examen. Wordt daaraan 'gemorreld', dan is selectie aan de poort van de universiteit onvermijdelijk, vindt Ad van Hout.

Voor bijna 200.000 leerlingen, van wie 33.000 vwo'ers, beginnen volgende week de centrale schriftelijke eindexamens, de afsluitende toets waaraan in Nederland elke scholier al sinds lang vervlogen tijden wordt onderworpen. Op exact hetzelfde moment krijgt de vwo'er in Maastricht precies dezelfde opgaven voor zijn neus als zijn neef op het vwo in Den Helder. Een, internationaal gezien, uniek systeem.

Maar het centraal examen staat ter discussie. Bij de Onderwijsraad, bij schoolleiders, bij onderwijskundigen en ook bij minister Van der Hoeven van Onderwijs. Volgens de Onderwijsraad staat het centraal examen haaks op de onderwijskundige vernieuwingen in het Studiehuis. Veel schoolleiders vinden dat centrale examens hun scholen, nu ze van Den Haag meer ruimte krijgen voor eigen beleid, blokkeren bij het maken van eigen, autonome keuzes. Wijnand Wijnen, de Maastrichtse emeritus hoogleraar onderwijskunde en een van de goeroes van het `Nieuwe Leren', typeerde de centrale examens twee jaar geleden in de Volkskrant als: ,,quiz-kennis die scholieren moeten oplepelen, losstaande feitjes die snel verouderen.''

Minister Van der Hoeven schrijft in haar Uitwerkingsnotitie examens voortgezet onderwijs van december 2004 dat zij weliswaar het centraal examen wil handhaven en niet wil tornen aan de paspoortfunctie van het diploma naar het vervolgonderwijs (mbo, hbo en universiteit), maar in diezelfde notitie kondigt zij wel aan af te willen van al die gedetailleerde eindtermen. Zij schrijft dat de ,,verhouding tussen wat in het schoolexamen en wat in het centraal examen moet worden getoetst zal worden aangescherpt'', en daartoe wil zij de tweede correctie vereenvoudigen en wil zij leerlingen de mogelijkheid bieden om drie keer per jaar één of meer centrale examens af te leggen. `Flexibilisering' heet dat laatste.

Universiteiten volgen deze ontwikkelingen met argusogen. In een recente brief (februari 2005) van de VSNU, de vereniging van Nederlandse universiteiten, aan de vaste Kamercommissie voor Onderwijs geven universiteiten aan veel waarde te hechten aan behoud van een stevig centraal vwo-examen en vooral ook aan handhaving van de huidige gewichtsverdeling (fifty-fifty) tussen centraal examen en schoolexamen. Universitaire docenten die wel eens een centraal vwo-examen bekijken, zijn vaak positief verrast over de pittige inhoud. Deze examens toetsen op een stevig niveau heel wat `hogere' cognitieve vaardigheden dan alleen maar de reproductie van ,,losstaande feitjes''. Het beeld dat Wijnen oproept is een karikatuur.

Voor het handhaven en waarborgen van het vwo-diploma als landelijk geldig toelatingsbewijs tot de universiteit, een systeem waar men over de grens vaak jaloers op is, is behoud van het huidige gewicht van het centraal examen essentieel. Als aan die verhouding wordt gemorreld ten gunste van het schoolexamen, dan is – bij het huidige ontbreken van enige externe kwaliteitsborging van dat schoolexamen – selectie aan de poort van de universiteit het onvermijdelijke gevolg. Dan krijgen we Amerikaanse en Britse toestanden met universitaire toelatingstoetsen. En daar zitten, gegeven de bewezen geringe voorspelbaarheid van dat soort toetsen en de te verwachten financiële en organisatorische gevolgen, maar weinig Nederlandse universiteiten op te wachten.

Met dat bestaande systeem van toelating (het vwo-diploma als een soort paspoort) heeft ons universitair onderwijs vergeleken met het buitenland gemiddeld een hoog niveau, zonder echte uitschieters naar boven of naar beneden. Meer concurrentie tussen universiteiten zoals staatssecretaris Rutte wil door het invoeren van leerrechten voor de student en door het mogelijk maken van selectie aan de poort, leidt echt niet tot een Nederlands equivalent van Harvard of Cambridge. Zulke elite-universiteiten met een collegegeld van 38.000 dollar per jaar (Harvard) passen niet in onze egalitaire cultuur. Daarvoor hechten we hier te veel aan de hoge mate van toegankelijkheid, inclusief betaalbaarheid, die ons hoger onderwijs zo kenmerkt.

Onderzoek aan verschillende Nederlandse universiteiten toont aan dat een van de weinig betrouwbare voorspellers van studiesucces op de universiteit het gemiddelde eindexamencijfer is: hoe hoger dat gemiddelde, des te minder kans op uitval.

Voor universiteiten is er dus geen enkele reden om de bestaande systematiek met het jaarlijks terugkerende ritueel van het centraal examen in mei/juni als gedateerd te beschouwen. Zij bevinden zich met die opvatting in goed gezelschap van veel leraren op de middelbare scholen. Ook zij hechten volgens een onderzoek van het Cito in 2004 veel meer dan hun schooldirecties aan behoud van een degelijk centraal examen. En ook die flexibilisering hoeft voor de leraren niet zo, blijkt uit hetzelfde onderzoek.

Intussen lijkt ook de Onderwijsraad weer bij te draaien. In januari van dit jaar gaf voorzitter Van Wieringen in de Volkskrant toe dat de waarborg van het centraal examen mede verantwoordelijk is voor de hoge kwaliteit van het Nederlands voortgezet onderwijs vergeleken met dat van andere Europese landen. Over het voorstel om het centrale eindexamen minder centraal op te leggen, zei hi: ,,Doe het voorlopig niet. Je haalt veel overhoop. En waarom? Kennelijk werkt dit.''

Ad van Hout is coördinator aansluiting vwo-wo aan de Radboud Universiteit Nijmegen.