Eén Europa, twee brillen

Wanneer de Nederlanders en de Fransen in de komende veertien dagen stemmen over een Grondwet voor de Europese Unie, aanvaarden of verwerpen zij wel hetzelfde document, maar niet hetzelfde Europa.

In beide landen vreest het Euro-establishment evenzeer dat de kiezers werkelijk `nee' zullen zeggen tegen de Grondwet, en dat zij daarmee het idee van de elites over hoe een meer geïntegreerd Europa, met zijn nog altijd theoretische mogelijkheden, moet worden opgebouwd, zullen beschadigen of vernietigen.

De referenda in beide landen lijken elk deels ook een remake van de episoden van populisme die Nederland en Frankrijk recentelijk hebben doorgemaakt – denk aan Pim Fortuyns plotselinge greep naar een stukje macht voordat hij in 2002 werd vermoord, en aan Jean-Marie le Pens onverwachte overwinning op Lionel Jospin in de eerste ronde van de Franse presidentsverkiezingen van 2002.

Ditmaal nemen de Nederlanders en de Fransen opnieuw bij miljoenen hun politieke klasse op de korrel; na tientallen jaren lidmaatschap van de EU en de uitbreiding ervan tot 25 lidstaten zeggen zij nu: wat kóóp ik voor Europa? Aangezien de populistische verleidingen Fortuyn/Le Pen de vorige keer geen onherstelbare schade hebben aangericht, zijn sommigen zelfs geneigd te zeggen dat hun kortstondige maar onbehaaglijke opkomst heeft geleid tot meer aandacht van het grote publiek voor de voorheen gebagatelliseerde problemen van de islamitische immigranten in beide landen.

Als je de uiteindelijk onschadelijke populistische streken van Le Pen en Fortuyn optelt bij het effect van de Franse en Nederlandse politici die eeuwig zeggen dat dit of dat niet kan vanwege Brussel, dan is het resultaat twee zeer ongeremde electoraten die na elkaar beslissen over het lot van de Europese Grondwet.

Nu in beide landen de partijtrouw slinkt en de economische prestaties weinig voorstellen, en de nee-stem als vergaarbak dient voor alle mogelijke persoonlijke grieven, staan de brave en de machtige lieden er mooi op met hun vermaning aan de kiezers dat zij ,,verantwoordelijk'' of ,,vaderlandslievend'' moeten stemmen.

Toch staan de Fransen en de Nederlanders er verschillend tegenover, en wel op het punt waar bescheidenheid en pretentie – of misschien eerzucht – botsen. Hoe zij ook gaan stemmen, de Fransen (op 29 mei) en de Nederlanders (op 1 juni) zien twee verschillende Europa's.

In Frankrijk komt het huidige debat in bepaalde opzichten neer op een beroep op iets denkbeeldigs. Zowel het nee-kamp als het ja-kamp stelt de stemming over de Grondwet voor als een soort zendingswerk. Of hij wordt aangenomen is beslissend voor de vraag of Amerika het voor het zeggen krijgt in Europa en de wereld; voor het establishment dat `ja' wenst, zal aanvaarding van de wet de Amerikanen weghouden; voor het vage netwerk van nee-stemmers, links en rechts, nagelt aanvaarding van de Grondwet de Verenigde Staten vast binnen Europa.

Er is ook nog een economisch aspect, dat al even apocalyptisch wordt voorgesteld. Voor ja-mensen als Jacques Chirac zal de Grondwet verhinderen dat Europa een economische woestenij wordt, in de greep van Angelsaksische bedrijvenslachters en kapitalistische sprinkhanen. Maar de Franse nee-stemmers zeggen dat de Grondwet nu juist precies díé gruwelwereld verheerlijkt. Wie de Grondwet tegenhoudt, houdt die plaag buiten de deur.

Dit Frans-Franse prisma waardoor Europa wordt bekeken – en dat in de ogen van veel Nederlanders en Europeanen potsierlijk aandoet –, vertekent het beeld zozeer dat een Franse socialistische politicus, Olivier Duhamel, vorige week zei dat hij meende te leven in een land dat gevangen zat in een ,,bolsjewistische regressie'', waar Chirac klonk als Arlette Laguiller (een plaatselijk geliefde marxistische hysterica) en waar `liberaal' een smerig woord geworden is.

Er is geen sprake van fanatiek antikapitalisme in Nederland, waar de vakbonden en de werkgevers het opvallend met elkaar eens zijn, waar de liberalen (die van de vrije markt) in de regeringsbankjes zitten en samen met de PvdA (oppositie) om een `ja' roepen.

Hier ontbreekt ook de roep `Red ons van Amerika', niet omdat de Nederlanders zo dol zijn op George W. Bush of de Amerikaanse oorlog in Irak, maar omdat er voor hen geen emotionele lading of rationeel doel is om een identiteit van Europa op te roepen die wordt gedefinieerd in tegenstelling tot de Verenigde Staten.

Daarom gaat de Nederlandse ja-campagne met weinig vuurwerk gepaard. Ik heb een Nederlander spitsvondig horen opmerken dat het woord `chauvinisme' immers een leenwoord is. Zonder de Franse hersenschimmen of het gewicht van de ja-eensgezindheid in de Franse media – Elsevier lijkt in de twee landen het enige blad van belang te zijn dat oproept om `nee' te stemmen – zijn de Nederlandse ja-troepen zo te zien de weg der gematigdheid ingeslagen. Die houdt in dat het al met al, ondanks de `rijsttafel' van klachten over Europa, het verstandigst en het best voor Nederland zou zijn om `ja' te stemmen.

De nee-kant is al net zo gematigd van toon. De Nederlanders zijn grote nettobetalers aan de EU (zij steken er meer geld in dan zij ontvangen), en dat vindt men niet eerlijk. Daar komt bij dat men hier, meer dan in Frankrijk, het idee heeft dat met de komst van de euro de prijzen stiekem veel te sterk verhoogd zijn.

En van de EU zelf meent men, wat betreft bijvoorbeeld het immigratiebeleid waarin ze als eenheid zou kunnen optreden, dat ze lang niet ver genoeg is om steun te geven aan de harde Nederlandse eis dat islamitische immigranten volkomen in de Europese samenleving moeten integreren.

Bij dit alles wordt Europa in de Nederlandse campagne niet voorgesteld (of ingezet) als middel om een sociaal model overeind te houden dat internationaal niet concurrerend is, of als vehikel voor een wereldbeeld dat zijn buren niet kunnen delen. Het is misschien wrang dat de Nederlanders zozeer overtuigd zijn dat er bij het referendum niets wereldschokkends op het spel staat, dat misschien maar 30 procent van de kiezers zal komen opdagen, wat geen goed teken is voor het ja-kamp. Bij geringe opkomst verwacht men dat vooral ja-stemmers zullen thuisblijven.

Als de Fransen de Grondwet niet als eersten afwijzen, zouden de Nederlanders het weleens kunnen doen – voor hun eigen Europa, en op hun eigen, weloverwogen voorwaarden.

John Vinocur is columnist van The International Herald Tribune.