Baai

Napels is een doolhof met een deksel erop.

Alle wereldsteden zijn vol en vies, maar Napels heeft het extra nadeel dat de stank en het lawaai niet kunnen ontsnappen uit de smalle steegjes en straatjes waaruit een groot deel van de stad bestaat. De walmen blijven tussen de huizen hangen, vooral als de warmte er als een deken over ligt.

Het Haagse gemeentebestuur doet er dan ook goed aan de bewoners van de Veerkade, de zogenoemde smerigste straat van Nederland, een gratis excursie naar Napels aan te bieden. Weer terug in Nederland zullen deze bewoners zich op een Alpenwei in het voorjaar wanen. Ze zullen nooit meer klagen over uitlaatgassen en fijn stof.

Jammer dat je zoiets nou nooit leest in zo'n informatieve reisgids over Napels. Er is nóg iets dat je daarin nooit leest – iets dat mij meer bevreemdde dan die luchtvervuiling. Het betreft de baai van Napels. Napels is er beroemd om. Die baai vormde, vermoed ik, diep in mijn onderbewustzijn de belangrijkste reden waarom ik ooit een keer naar Napels wilde.

Sinds jaren bezit ik een langspeelplaat van de tenor Giuseppe di Stefano, waarop hij meeslepende Napolitaanse belcantoliederen als O Sole Mio en Santa Lucia zingt. De beeltenis van Di Stefano is op de hoes geprojecteerd tegen de achtergrond van die schitterende baai van Napels. Ik was verkocht.

Zo snel mogelijk na onze aankomst in het hotel wilde ik de baai zien. Het was een mooie, warme middag, de baai moest nu als een stuk zilverpapier onder de blakerende zon glinsteren. Komend uit de richting van de oude binnenstad rond de Dom daalden wij via een wirwar van straatjes naar de baai af. We belandden bij een verkeersader, de Corso Umberto. Volgens onze plattegrond zou iets verderop het wonder van de baai zich voor onze verrukte ogen moeten openbaren.

Wij liepen, wij zweetten en wij zochten, maar wat wij ook vonden – geen baai. Wél een kilometerslang lint van havengebouwen en fabriekscomplexen die weliswaar aan de baai lagen, maar hem tegelijkertijd volledig aan het oog onttrokken. Hun territorium was verboden gebied. Af en toe mochten we een glimp opvangen van de Vesuvius in de verte – dat was alles.

O Tantalus, uw naam was ons dierbaar. Zó dichtbij de bron te zijn en toch zo ver er vanaf. Wij hebben het die hete middag opgegeven.

,,Morgen verder'', hijgde ik, ,,we móeten hem vinden. We kunnen toch niet thuiskomen met de boodschap dat we de baai van Napels niet hebben kunnen vinden?''

,,Jij als journalist zeker niet'', zei mijn vrouw.

De volgende dag zetten we onze ontdekkingsreis in westelijke richting voort. En eindelijk, pas onder Piazza Plebiscito, kregen we een onbelemmerd zicht op zee.

Er bleken twee baaien van Napels te zijn: een voor de industrie en een voor de recreatie. De laatste – die van de platenhoes van Di Stefano – was veruit de kleinste. Een mooie baai, daar niet van, maar alle lof voor die baai is tegelijk een vertekening van de situatie.

Ik was een illusie kwijt. Dé baai van Napels bestaat niet. Je moet je behelpen met een aardig hoekje.