Tasje

In de trein naar Schiphol hoorde ik een Amerikaanse jongen en een Spaans meisje, die elkaar net hadden leren kennen, over hun studie praten. Ze bleken beiden sociologie te studeren. De jongen had vroeger een nogal vaag leventje geleid, vertelde hij. ,,I lived in a bubble.'' Maar dankzij zijn studie besefte hij nu ,,that there's more to the bubble.''

Het leek me een passend motto om onze reis naar Napels mee te beginnen. Waarom wil een mens voor zijn plezier naar Napels? Misschien wel omdat hij vindt dat er iets méér moet zijn dan de dagelijkse `bubble' waarin hij leeft. Of hij dat ook werkelijk in Napels, of welk oord dan ook, zal vinden, is zeer de vraag. Maar je kunt het altijd proberen.

Menigeen had het me tevoren in bedekte termen ernstig afgeraden om juist in Napels mijn geluk te zoeken. Het lieftallige cliché `Eerst Napels zien, en dan sterven' bleek geruisloos veranderd in `Napels zien en meteen sterven'. De ijselijkste Napels-anekdotes werden mij overgebracht. Rovende scootervandalen, hondsbrutale zakkenrollers, gemene zigeunermeisjes, ongure taxichaufffeurs – geen toerist was voor hen veilig.

,,Waar beginnen we eigenlijk aan?'' vroeg ik mijn vrouw toen we onze koffers op onze hotelkamer stonden uit te pakken.

Ons hotel bleek zich te bevinden in het oudste, donkerste en drukste deel van de stad. Door het geopende raam klonk het geknal van tientallen scooters boven opgewonden mannenstemmen uit. De jongens draaiden zich kennelijk al warm op het pleintje voor ons hotel om ogenblikkelijk tot de aanval te kunnen overgaan als we ons buiten zouden wagen.

Gelukkig waren we zo voorzichtig geweest om thuis al enkele voorzorgsmaatregelen te nemen. Mijn vrouw had voor ieder van ons zo'n soepel linnen tasje gekocht dat je via je ceintuur onzichtbaar aan je middel bindt. De onverlaten moeten je echt levend villen om zo'n tasje met geld en creditcards te vinden. Het geeft je een nogal vol gevoel in je broek, maar er zijn grotere offers gebracht in de strijd tegen de misdaad.

Toen we eindelijk de straat durfden op te gaan, waren we een soort wandelend Fort Knox geworden. Voor de zekerheid vroeg ik nog aan de receptioniste van het hotel: ,,Kunnen we hier 's avonds überhaupt wel buiten komen?''

Ik moest de vraag drie keer stellen voor ze begreep wat ik bedoelde. Toen begon ze te lachen. ,,Wees alleen voorzichtig als u een Rolex draagt'', zei ze.

,,En kan ik mijn laptop op onze kamer laten staan?''

Ze keek me donker aan. Ik besefte dat mijn vraag een beledigende lading had, mompelde een excuus en haastte me naar buiten.

Daar barstte de hel meteen in alle toonaarden los. Het verkeer zat in beide richtingen volkomen vast, mannen hingen vloekend uit hun autoraampje, claxons jengelden als verwende kinderen, scooters flitsten moordzuchtig uit donkere steegjes, voetgangers waadden voorzichtig naar de overkant alsof ze elk moment op een landmijn konden trappen.

,,Mijn god, laten we gauw naar de baai van Napels gaan'', zei ik, ,,daar zal het wel rustiger zijn.''