Op Curaçao is zelfs de dealer bezorgd

De Antilliaanse regering is boos over de strenge Nederlandse regels voor toelating van jongeren. Maar niet iedereen in Willemstad toont onbegrip.

Auto's rijden stapvoets door de Breedestraat in Otrobanda. Het is een drukke vrijdagmiddag in de volkswijk van de Curaçaose hoofdstad Willemstad, veel mensen zijn op straat om inkopen te doen of met een biertje in de hand aan het weekend te beginnen.

In een snackbar zit Stephen. De 36-jarige drugsdealer, die niet met zijn achternaam in de krant wil, is te spreken over de toegangs- en uitzettingsregeling die de Nederlandse regering net heeft aangenomen. ,,Dit dwingt de Curaçaose politici om na te denken over de toekomst van onze jongeren'', zegt Stephen terwijl hij een klant helpt. ,,Ik heb zelf drie kleine kinderen en ik wil wel dat er hier beter onderwijs komt, zodat zij straks niet, zoals de huidige generatie, naar Nederland moeten rennen voor hun toekomst.''

Vrijdag besloot het kabinet-Balkenende dat Antilliaanse en Arubaanse jongeren tussen de 18 en 24 jaar die de `sociale vormingsplicht' niet hebben afgerond, Nederland niet binnen mogen. Jongeren die wel een basisopleiding hebben gevolgd, moeten binnen enkele maanden werk vinden of een opleiding volgen, als ze eenmaal in Nederland zijn. Anders worden ze teruggestuurd. Jongeren onder de 18 moeten een voogd in Nederland hebben, anders komen ze er niet in. Criminele jongeren kunnen als extra straf door de rechter worden teruggestuurd naar de eilanden.

De Antilliaanse regering heeft woedend gereageerd, mede omdat ze – ondanks eerder gemaakte afspraken – niet door haar Nederlandse collega's is gekend in de maatregel. Maar niet iedereen op Curaçao, waar het overgrote deel van de risicojongeren vandaan komt, is boos.

Zo staan jongeren in Seru Fortuna niet te trappelen om naar Nederland te verhuizen. Een groepje padvinders zit op zondagmiddag domino te spelen in de achterstandswijk. ,,Onze mensen'', zegt de 16-jarige Carlos terwijl hij een dominosteen op tafel slaat, ,,komen in Nederland alleen maar in de problemen. Ze moorden elkaar uit en komen met drugs in aanraking. Dus ik vind die maatregel wel goed. Maar je moet wel oppassen, want niet iedereen is een crimineel. Je kan niet iedereen terugsturen.''

Mia, een 35-jarige moeder van vier kinderen die de padvinders begeleidt, is het met hem eens. ,,Nederland is wel erg laat hiermee. Als je het daar verpest, heb je dat alleen aan jezelf te wijten. Dus laat ze maar terugkomen, maar dan moeten er wel meer kansen komen op Curaçao. En dáár kan Nederland ons wel bij helpen.''

Even verderop zit een aantal jongens onder een boom, naast hen staat een auto waaruit harde hiphop klinkt. Of ze mensen kennen die naar Nederland zijn gegaan? ,,Ja natuurlijk'', zegt een 23-jarige rapper die bekend staat als Gojo di Seru, ,,iedereen zit daar toch. Maar de laatste jaren komen er volgens mij wel meer mensen terug dan dat er nog heen gaan.''

Statistieken bevestigen zijn observaties. Uit cijfers van het CBS blijkt dat in de afgelopen twee jaar meer Antillianen en Arubanen uit Nederland vertrokken dan erheen verhuisden. [Vervolg ANTILLIANEN: pagina 7]

ANTILLIANEN

Meer banen graag, maar niet van die lastige

[Vervolg van pagina 1] In 2004 kwamen 3.043 eilandbewoners naar Nederland, terwijl 4.790 mensen terug gingen naar de Antillen en Aruba. In 2003 ging dat om 4.273 tegen 4.593 rijksgenoten. Daarmee lijkt de grote stroom te zijn opgedroogd. In Nederland wonen momenteel 129.690 Antillianen en Arubanen.

Intussen zijn de problemen op Curaçao alleen maar toegenomen. De jeugdwerkloosheid was er vorig jaar 36,4 procent, 3 procent meer dan in 2003.

De jongens in Seru Fortuna vinden dat er meer werk op Curaçao moet komen. ,,Het soort waarbij je niet veel hoeft te overleggen en waar de baas niet te veel te vertellen heeft, want daar hebben wij Curaçaoënaars geen feeling en geen geduld voor'', zegt één van hen.

Gojo di Seru kan zich wel voorstellen waarom Curaçaoënaars in Nederland worden gediscrimineerd. ,,Ze zijn daar moe van ons en dat snap ik wel. Want de overheid moet hier zelf iets doen. Ze zeggen wel dat alles aan de makamba's (Europese Nederlanders, red.) ligt, maar zelf doen ze ook niets. Curaçaoënaars hebben te weinig zelfvertrouwen, we vechten onderling te veel. Dat moet veranderen.''

Er komt een jongen aangereden met een speaker achterop zijn fiets, de anderen begroeten hem door met hun vuist tegen de zijne te drukken. Railyson vertelt dat hij in Nederland heeft gewoond. ,,Ik ben daar een paar maanden geweest'', zegt hij, ,,maar als je niets te doen hebt, heeft het ook geen zin er te blijven. Die succesvolle Antillianen in Nederland zouden wel iets voor hun landgenoten kunnen doen, maar zij trekken hun neus voor ons op.''

De volgende ochtend verzamelen tientallen jongeren zich aan het eind van de Breedestraat in Otrobanda. Ze nemen deel aan het pilotproject van de door de Antilliaanse regering aangekondigde sociale-vormingsplicht voor 16- tot 24-jarigen. Na de zomer dient die sociale vorming een verplicht karakter te krijgen.

De 17-jarige Michel staat te wachten naast een oude Amerikaanse schoolbus, die zijn groep naar een verderop gelegen klaslokaal zal vervoeren. Volgens Michel had de sociale vormingplicht er veel eerder moeten komen. ,,Ik ga al drie jaar niet naar school, niemand die dat controleert. Nu is er dit programma, maar dat is veel te laat.''

De sociale-vormingsplicht verloopt vooralsnog niet probleemloos. Het project, dat op 1 april begon en door Nederlandse politici als een rechtvaardiging voor de toelatings- en uitzettingsregeling wordt gezien, staat nog in de kinderschoenen. De door Nederland toegezegde financiering komt moeilijk los, mede doordat pas laat bekend was waaraan volgens Nederland moet worden voldaan om aanspraak op de fondsen te maken. Maar ook leverden de betrokken Curaçaose instellingen hun begroting niet tijdig in.