Kein geloel

Het is een suffe boel wanneer de maandag als zondag telt. Het land krijgt een dag cadeau en besteedt hem aan file rijden naar een mahoniehouten meubel of het fotograferen van apen in de dierentuin. De sport hangt er ook een beetje bij. De eredivisie heeft de vorm van een poreuze achterband waar het onaantastbare PSV al weken eerder het ventiel uittrok. Van de Giro moet het deze tweede pinksterdag ook niet komen. Het peloton heeft nog kilometers te gaan maar iedereen legt zich nu al neer bij de eindspurt van Petacchi.

Zélf sporten is de enige remedie tegen de lamlendigheid van een nationale vrije dag. Ik hijs me in een trainingspak en besluit tot een rondje Kralingse Bos, van vijf kilometer. Ik ben niet de enige met het idee. Nederland is te dik en die overtollige kilo's tonen we maar wat graag op de vrije dag. Het vet wordt puffend en steunend meegetorst op twee benen.

Ik had Wim Jansen ook wel verwacht in het bos. Daar mogen ook wat kilo's af willen spelers als Ghaly en Saidi geloven dat hij geen forse vrouw met twee boodschappentassen is maar oud-voetballer en verlosser van Feyenoord. Jansen is de laatste strohalm waar men zich in Rotterdam aan vastklampt. Dom. Nog nooit werd het Paard van Troje zo gemakkelijk naar de poort geschoven, nota bene door Ruud Gullit zelf, die kennelijk niet inziet dat hij de eerste is die door het in de buik verstopte leger naar buiten wordt gejaagd.

Jansen naar Feyenoord doet me denken aan Wiegel terug op de bok bij de VVD, Litmanen nog één keer op het middenveld bij Ajax, Bassie in de trapeze bij Cirque du Soleil. Veranderen doe je door vooruit te kijken en durf te tonen. Omzien in weemoed doe je thuis, met het voetbalplaatjesboek van Panini op schoot. Jansen, Van Hanegem, Hasil. Allemachtig, namen uit een verleden, mijn testikels waren nog maar net ingedaald.

Ik ben mijn stopwatch vergeten. Stom. Er zit niets anders op dan mijn telefoon uit mijn wagen te halen en die als een soort horloge met mij mee te dragen. Al na honderd meter voel ik me enigszins belachelijk. Ik sport op een vrije dag met een mobiele telefoon in mijn hand. Gelukkig belt er niemand. Alleen een sms'je: `Petacchi. Wedden?'

Ik snij een bocht af. Van Hanegem was daar goed in, zijn snor drukken in het bos. Hij sprong wel eens achterop bij een passerende fietser. Maar trainer Ernst Happel had alles door. Happel. Nu begin ik ook al te verlangen naar vroeger! Happel is dood. Misschien moet Feyenoord zijn zoon vragen. Hij lijkt sprekend op zijn vader. Zet hem als bliksemafleider op de bank naast Gullit.

Happel, Gullit, Jansen. Wat kom je toch op briljante ideeën als je buiten holt. Feyenoord praat te veel, zegt Van Hanegem vandaag in de krant. Ook hij verlangde naar Happel. Kein geloel, bitte!

Na het rondje neem ik een thee op een terras en rij daarna op mijn gemak naar huis. Op televisie zie ik vier renners van Fassa Bortolo op kop rijden. Kopman Petacchi mag het werk afmaken en doet het ook. Op zijn afgetrainde gezicht verschijnt een grijns. Sport is zo simpel. Onderlinge vriendschap, teamgeest, een zak geld en je bent al een heel eind. Feyenoord moet in stilte naar het werk van Fassa Bortolo kijken.

Op het keukenblad ligt een Duitse biefstuk. Ouderwetse sportvoeding. Ik kan nu nog kiezen: in de olie of in de vette boter. Het wordt boter. Ik kan het hebben. En, ik heb nóg een goed excuus: het is nog weekend, op deze rare maandag.