Afweer tegen onzichtbare machten

Outsiderkunst werd zijn werk genoemd, of Art Brut. Willem van Genk was schizofreen, paranoïde en autistisch, en mocht zich daarom niet gewoon kunstenaar noemen. Afgelopen donderdag overleed Van Genk aan de complicaties van een longontsteking. Hij werd 78 jaar.

Zelf noemde Van Genk zich `Koning der stations'. Hij was gefascineerd door treinen. Vaak tekende hij extreem gedetailleerde stationshallen, vol dampende locomotieven en wachtende passagiers. Zijn inspiratie deed hij op tijdens reizen, bij voorkeur naar zijn geliefde Rusland. Maar ook Arnhem was, vanwege de trolleybussen, een favoriete bestemming.

Toen Van Genk in 1998 werd opgenomen in een verpleeghuis, bleek dat hij onder het raam in zijn woonkamer het complete busstation van Arnhem had gereconstrueerd. Ook werden duizenden kunstboeken, schoenendozen vol shampooflessen en honderden lange regenjassen aangetroffen. Van Genk was door de kledingstukken geobsedeerd geraakt nadat hij in de oorlog als zeventien-jarige jongen door de Gestapo was ondervraagd over zijn vader, die in het verzet zat.

Na een reeks mislukte baantjes als reclametekenaar, electrotechnicus, typist en broodverkoper, schreef Van Genk zich in bij de Koninklijke Academie in Den Haag. De toenmalige directeur, beeldhouwer Joop Beljon, gaf de docenten de instructie om Van Genk zoveel mogelijk met rust te laten. En zorgde dat Van Genk zijn eerste tentoonstelling kreeg. Nadat de tv in 1961 een portret van hem uitzond trok de kunstenaar zich geschrokken terug uit het maatschappelijke leven. Zijn schilderijen en collages bewaarde hij thuis, onder zijn bed of in de badcel. Alleen bij hoge uitzondering wilde hij zijn werken verkopen, en dan uitsluitend aan musea.

Als kind al was Van Genk zeer gesloten. Hij leerde slecht en waste zich zelden. Zijn moeder overleed toen hij vijf was, en na een langdurig verblijf in een internaat voor moeilijk opvoedbare jongens, werd hij door zijn inmiddels hertrouwde vader uit huis gezet wegens vervuiling. Elke avond wandelde hij naar het huis van een van zijn zussen, waar hij in alle rust kon tekenen.

In de loop der jaren zijn Van Genks schilderijen steeds complexer geworden, een tendens die in verband kan worden gebracht met de ontwikkeling van zijn schizofrenie. Van Genk creëerde een eigen wereld, die een afweer moest vormen tegen complotten van onzichtbare machten. Zijn schilderijen, die de kunstenaar zelf conseqeunt `plakkaten' noemde, tonen ingewikkelde labyrinten vol met mensen en vervoersmiddelen. Naast treinen en trams schilderde hij ook vliegtuigen en zeppelins, en drukke straten vol auto's en passanten. Alle lege gaten en hoeken werden door de kunstenaar opgevuld met teksten uit reisbrochures of geschiedenisboeken.

Verschillende keren werd Van Genk, die zijn leven geplaagd werd door stemmen, opgenomen in een psychiatrische inrichting. Met werken moest hij stoppen in 1996, toen hij getroffen werd door enkele herseninfarcten. In de laatste jaren van zijn leven groeide de waardering voor zijn werk. In 1997 won hij op een tentoonstelling voor outsiderkunst in Bratislava de Grand Prix. Zijn werk kreeg een plaats in het museum voor outsiderkunst in Zwolle werd uiteindelijk ook getoond in de gevestigde musea, waaronder het Stedelijk Museum in Amsterdam en Musée d'Art Moderne in Parijs.