Pietje met een eigen liedje

JONGE KANARIES die zonder andere zingende kanaries opgroeien kunnen liedjes aanleren die ze van nature niet zouden zingen. Ze zingen ook de `traditionele' kanarieliedjes (die dus aangeboren blijken te zijn). Maar naarmate het broedseizoen nadert het moment dat de dieren hun gezang nodig hebben gaan de traditionele melodieën domineren, zo ontdekten onderzoekers van Rockefeller University in New York (Science, 13 mei).

Net als mensen ontwikkelen vogels klanken met behulp van aangeboren eigenschappen en door nabootsing. Dit vocaal leren is de basis van spraak en is nog onvolledig begrepen. Mannetjeskanaries zingen als lokroep voor vrouwtjes en tegelijk om andere mannetjes van hun jachtterrein te verjagen. Vrouwtjes zingen zelden. In het gemak waarmee jonge kanaries `nutteloze' melodiën aanleren die ze later in het broedseizoen niet of nauwelijks meer gebruiken, zien de onderzoekers een vorm van experiment en spel.

Een kanarielied is een samenstelling van fluittonen, vergelijkbaar met klanken in taal, die variëren in duur en toonhoogte. Kenmerk van kanaries is dat zij series van dezelfde fluittoon vormen, waardoor een frase ontstaat. Ze zingen overigens ook `losse' noten. Verschillende achter elkaar geplaatste frasen, al dan niet afgewisseld, vormen dan een lied. Jonge kanaries die geïsoleerd van volwassen mannetjes opgroeien, ontwikkelen deze zang uit zichzelf. Veel kanariefokkers jutten hun jonge kanaries op tot zingen, door hen cd's met volwassen kanariezang te laten horen.

Maar door imitatie kunnen ze ook een lied aanleren dat ze niet van nature zouden ontwikkelen, blijkt dus uit de experimenten op Rockefeller. De onderzoekers leerden jonge mannetjes een lied zonder frases, dus zonder herhaalde noten. Een computer speelde voor kanaries vanaf 25 dagen oud iedere twee uur een liedje dat in het natuurlijke kanarierepertoire niet voorkomt. De vogels waren in een geluidsdichte kamer geboren en verkeerden slechts in het gezelschap van hun niet-zingende moeders. De onderzoekers hadden twee liedjes gecomponeerd, waarbij zij het timbre van de kanariestembanden zo goed mogelijk nabootsten. In het eerste liedje, dertig seconden lang, was iedere fluittoon verschillend aan de voorgaande en volgende wat betreft vorm en duur. Het tweede liedje bestond uit drie glissando's van elk vijf seconden (een glissando is een aangehouden toon die in hoogte stijgt of daalt). Alle vogelgeluiden in de ruimte werden opgenomen en geanalyseerd.

In de groep die met het eerste liedje opgroeide lieten zes van de tien vogels na 250 dagen goede imitaties van de eerste tien seconden horen. Dat is lang, omdat tests bij volièrekanaries lieten zien dat zij gemiddeld niet langer dan 2,7 seconden zingen zonder frases te maken. Ook in volières zingen niet alle mannetjes. Naarmate het broedseizoen dichterbij kwam, veranderde de zang tot verrassing van de onderzoekers geleidelijk in de richting van volière-kanarieliedjes. Als eerste begonnen de vogels frasen te vormen door tonen uit het tutorliedje serieel te herhalen. Net als bij de zang van volièrevogels deden ze dat op wisselende manieren. Ze gebruikten het aangeleerde liedje en de aangeboren zang door elkaar, ook in hetzelfde liedje. Later verwijderden ze een aantal fluittonen uit hun repertoire. Wel werden er bij de zes inmiddels volwassen vogels nog fragmentjes van het oorspronkelijke liedje tot zes seconden gehoord. De volledig aangeleerde tien seconden lieten zij echter niet meer horen. Aan het eind van het experiment hadden de individuele vogels 5.000 tot 30.000 verschillende liedjes laten horen een normaal aantal.

Twee vogels die een testosteronimplantaat kregen, maakten deze verandering in de ordening van de liedjes sneller door dan de anderen. Bij het bereiken van hun seksuele volwassenheid waren alle kanaries volop aan het herprogrammeren.

Ook de glissandogroep, bestaande uit zes mannetjes, leerde dit kunstmatige liedje nauwkeurig aan. Net als de andere groep gebruikten ze aangeleerde en aangeboren fragmenten door elkaar naarmate het broedseizoen dichterbij kwam, zij het dat de imitaties beter herkenbaar waren. Hoewel deze vogels alleen maar glissandi hebben gehoord, hadden ze er geen enkele moeite mee om `natuurlijke' tonen te laten horen. De snelheid waarmee de vogels variëren met beschikbare tonen herprogrammeren doet denken aan de variatie in het gebruik van klinkers in menselijke spraak.