`Over de goeien hoor je nooit wat'

`Mensen beginnen niet meer zomaar aan vrijwilligerswerk. Zo van: kan ik helpen, wat kan ik doen. Dat is iets van vroeger. Mensen willen wel ergens aan meewerken, maar alleen als ze precies weten wat het inhoudt.

Wat je ziet is: er is veel vergrijzing onder vrijwilligers. Ik was zelf vijfenvijftig toen ik er zeventien jaar geleden mee begon. Toen zag je nog veel meer vrouwen zoals ik, dus van een jaar of vijftig. Nu zijn ze bijna allemaal ouder.

Ik snap het wel: mensen die werk hebben, kunnen er niet aan beginnen. Die hebben het veel te druk. Ik denk ook dat veel jongeren er geen zin in hebben. Ze zien er de noodzaak niet van in.

En mensen van boven de vijftig, wat dan vroeger de ouderen waren, nou ja, die leven tegenwoordig anders. Die gaan naar de tennisclub en naar de bridgeclub, die hebben allemaal leuke dingen om zich heen. Niet dat de mensen vroeger van armoe vrijwilligerswerk gingen doen, helemaal niet. Maar je moet toch wel het idee hebben dat het zinvol werk is. Je moet er een goed gevoel bij hebben.

De Unie Van Vrijwilligers bestaat nu zestig jaar, maar veel mensen hebben er nog nooit van gehoord. Terwijl, nou, als er geen vrijwilligers meer zouden zijn in de ziekenhuizen ... ik zal niet zeggen dat de boel dan plat ligt, maar... bij de balies, bij de dagbehandeling: daar zitten ze dus wel allemaal.

Stel, je komt als patiënt bij de balie van, ik noem maar wat, het oogziekenhuis. Dan zitten daar mensen van de Unie Van Vrijwilligers die jou naar je plek brengen, of je wijzen hoe je moet lopen. Dat noemen wij gastvrouwen. Die zitten daar met z'n tweeën, dat is ook gezellig.

En bij de dagbehandeling zitten ook vrijwilligers. Bijvoorbeeld bij de staaroperaties, dat is tegenwoordig lopendebandwerk. Dus als je daar komt, dan word je opgevangen door een vrijwilliger, en als je aan de beurt bent, en je moet een operatiejasje aan, dan helpt die vrijwilliger je daar even mee. En als je je operatie gehad hebt, krijg je een kopje koffie van die vrijwilliger, je gaat even zitten, even bijkomen, en dan belt die vrijwilliger een taxi voor je en die komt je dan weer halen.

We werken ook in verzorgingstehuizen. Dat doe ik zelf. Het werk daar is: je schenkt de koffie in, je helpt met maaltijden, doet mee met spelletjes, ondersteunt met zingen. Ik zit nu bij een schildergroepje. Daar zitten er bij van de dagverzorging, dus die zijn nog redelijk goed, maar er zijn er ook die half verlamd zijn. Nou, dan zet je hun stuk papier vast met wat klemmetjes, kunnen ze zich toch lekker even uitleven.

En als je zulke mensen dan bezig ziet: die zijn echt een middagje uit in hun gedachten. Je schenkt er een kopje koffie bij. Je denkt: wat heerlijk, dat die mensen even niet in de huiskamer hoeven te zitten, met al die mensen die ze niet kennen en die altijd maar voor zich uit zitten te staren.

Wat je ook doet is: mensen bezoeken die daarom hebben gevraagd. Je krijgt die adressen door van het ouderenwerk of van het maatschappelijk werk, je hoort wat voor iemand het is, bijvoorbeeld iemand die net haar man heeft verloren en er eens even uit moet, en daar zoek je dan een geschikte vrijwilliger bij. Dat doe ik ook: vrijwilligers bij aanvragers zoeken. Dat je denkt: die of die lijkt me het meest geschikt voor deze persoon.

Zelf heb ik een tijdje een mevrouw bezocht die licht dementeerde. Die had iedere keer hetzelfde verhaal, tot ze op een dag zei: zullen we domino gaan spelen anders. Nou, ik vond het prima. Want dan ben je bezig en kun je toch nog wat praten tussendoor. Je kunt ook een stukje gaan wandelen, natuurlijk. Of iemand wil eens met de tram weg, ergens wat kopen, en die durft niet alleen te gaan, want ze is bang om te vallen. Maar je hebt er ook, die hebben de thee klaar en de koekjes op tafel en die praten honderduit.

Want daar kom je voor: hun verhaal. Het wordt ook afgeraden om met je eigen kwalen voor de dag te komen. Dat iemand zegt: ik heb, nou, weet ik wat, en dat jij dan zegt: dat heb ik ook gehad. Dat moet je niet doen. Je moet luisteren. Je bent er voor die mevrouw.

Het zijn bijna allemaal vrouwen die dit werk doen. Een enkele keer een man. Die is dan meestal gastheer in een ziekenhuis. Een heleboel oudere dames willen ook liever geen man op huisbezoek. Ze hebben vaak kwaaltjes, waar ze over willen praten. Dus een bezoekje, dat je zegt: een kopje thee drinken en even bijpraten, daar hebben ze liever een vrouw voor.

Het zijn over het algemeen ook vrouwen die aanvragen. Als mannen aanvragen, is dat meestal om voor te lezen. Wat je ook ziet: soms hopen mensen die een vrijwilliger aanvragen dat ze dan een vriendin krijgen. Maar zo werkt het niet. Als iemand bij je op bezoek komt, een vreemde, dan kan het klikken, maar toch: het blijft een bezoeker. Dus voor sommige mensen die je gaat bezoeken valt het op den duur tegen. Die denken dan: het blijft zo los.

Ik ben zelf met dit werk begonnen toen ik moest ophouden met de zaak. We hadden een delicatessenwinkel, maar ik kreeg gezondheidsklachten en toen ging het niet meer. Nou, wat doe je dan: je wit het huis van onder tot boven, je knapt de tuin eens helemaal op, je doet allemaal dingen waar je nooit aan toe kwam. Maar op een gegeven moment, dan is het tien uur, het huis is aan kant en daar zit je. Dat vond ik niks.

Ik denk dat het met je achtergrond te maken heeft, of je dan vrijwilligerswerk gaat doen of niet. Mijn ouders waren ook sociale mensen. Als een buurvrouw ziek was, ging mijn moeder er met een pannetje soep naar toe. Dat was op een dorp en ik woon nu in de stad. Maar dat doet er niet toe. Je hebt dit of je hebt dit niet, lijkt me. En dertig jaar in een winkel staan, wat ik heb gedaan,is ook bijna sociaal werk. Dan krijg je ook van alles van mensen te horen.

Ik ben natuurlijk een bezig mens, altijd geweest. Ik ben ook niet zo zwaar op de hand. Als je dit werk niet van je af kan zetten, moet je er niet aan beginnen. Want als je er niet doorheen kunt kijken, wat je allemaal hoort op die bezoekjes en in die ziekenhuizen, nou, dan kan je er zelf wel zenuwpatiënt van worden. Het zijn vrij stabiele mensen, vrijwilligers, laat ik het zo zeggen. Als je dat niet bent, als je eigenlijk zelf ook hulp nodig zou hebben, moet je er niet aan beginnen. Het zijn ook altijd mensen met het idee: we willen iets voor een ander doen.

Maar het wordt moeilijker. Er komen minder vrijwilligers bij. En er is ook steeds minder geld. Wij verzorgen bijvoorbeeld drie keer per jaar ouderendagen, hier in de deelgemeente. Op zo'n dag krijgen die ouderen eerst koffie met wat lekkers, dan een advocaatje, dan een driegangenmenu en daarna is er bingo, want dat mag niet ontbreken. En dan aan het einde nog een kopje thee met een biscuitje.

Dat kost vier euro. Maar dat zal meer moeten worden, want er is gekort op de subsidie. Niet alleen op die ouderendagen, maar ook op de kaartclubjes, op de koffieochtendjes, noem het maar op. Ja, verschrikkelijk. Wij hebben gevraagd: als die ouderendagen twee euro meer gaan kosten, komen jullie dan nog. Ja hoor, zeiden ze. Maar ik weet het niet, als eenmaal puntje bij paaltje komt, er zitten nog echte AOW'ertjes bij.

Het kan natuurlijk altijd iets minder. Als je een muzikant wilt, nou, voor honderd euro doe je niks, en je kunt ook zeggen: ga maar cd'tjes draaien, dat is ook gezellig. Maar je wilt wel eens iets leukers doen. Of eens iets voor de vrijwilligers, ook al zeggen die altijd allemaal: oh, dat hoeft niet, hoor.

Ik vraag me wel eens af: als het kabinet zegt dat mensen meer vrijwilligerswerk moeten doen, weten ze dan wel wat dat betekent. Want dat zeggen ze er nooit bij: wat dat dan inhoudt, vrijwilligerswerk.

Als de premier zegt: de mensen moeten zich verantwoordelijk voelen ... ja, hoe pikken de mensen dat dan op, hè. Daar heb ik geen idee van. Ik zou zeggen: je moet weten dat er organisaties zijn waar je je aan kunt melden. Dat je weet: er staan dan mensen achter me, waar ik terecht kan. Want in je eentje bereik je niks.

Ik denk dat onder de aandacht gebracht moet worden: wat bedoelt de premier nou precies met dat sociale? Wat bedoelt de regering? Ze zitten dat allemaal wel te zeggen, maar ze hebben het zelf nooit gedaan. Ze weten niet wat het inhoudt. Dat je toch elke keer weer naar die mensen toe moet, omdat er continuïteit moet zijn. Ik denk dat dat uitgelegd moet worden. En ook: dat je er echt achter moet staan, omdat het anders niet gaat.

Het zal wel altijd blijven bestaan, vrijwilligerswerk. Maar misschien anders, in een andere vorm, of minder. Ik ben daar niet zo ongerust over. De mensen zijn tegenwoordig ook mondiger. Je hebt geen mensen meer die, als hun man overleden is, helemaal niks kunnen, nog geen girootje schrijven of niks. Dat zie je niet meer. Dan kwam je bij zulke mensen en als je niet oplette, dan zat je zo hun boekhouding te doen. Maar dat is niet meer zo. En de mensen hebben ook meer vertier. Ze hebben allemaal televisie. Een heleboel hebben een rollator. Dat scheelt ook.

Maar ik denk wel eens: er is gewoon niet genoeg aandacht voor dit werk. Daardoor weten de mensen niet wat vrijwilligerswerk is. De media schrijven altijd over rampen. Als het slecht gaat, dan wordt dat uitgemeten tot en met. Maar als iets goed gaat, dat er toch wel hulp is, als je de weg maar weet, daar wordt nooit over gerept.

Ik erger me vaak dood, hoor. Zoals met die verpleeghuizen. Dan hebben ze er weer een paar gevonden waar het niet goed gaat. Maar over de goeie zorg hoor je nooit wat. Al die tehuizen waar ze zo zorgzaam zijn voor de mensen, wat daar allemaal gedaan wordt, hele programma's. Dan denk ik: waar hebben ze het toch over. Er worden een paar tehuizen uitgelicht en dan deugt gelijk nergens meer wat van.

En over vrijwiligerswerk wordt al helemaal niet geschreven. Het is er gewoon. Mensen doen dat kennelijk. En natuurlijk, wij timmeren zelf ook niet echt aan de weg. Als je dit werk doet, ben je er voor jezelf van overtuigd dat het goed is wat je doet. Maar als er meer over werd geschreven, als het beter bekend was, dan kregen wij misschien meer vrijwilligers. Je moet het veel duidelijker maken voor de mensen.'

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl. Of stuur een brief naar Zaterdags Bijvoegsel Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam