Nieuwe rivieren

De vrees voor hoogwater op de rivieren wordt tegenwoordig met alle middelen wakker gehouden. De gedachte dat ons iets ernstigs boven het hoofd hangt leidt er toe dat mensen, deskundig of niet, met allerlei ideeën over de brug komen (W&O 23 april). Voor een deel zijn de zwakke punten van het voorstel om nieuwe rivieren te graven al door Ir. Silva aan het licht gebracht. Enkele opmerkingen wil ik daar nog aan toevoegen.

Bedacht moet worden dat een rivier niet slechts water afvoert, maar ook sediment. De morfologie van het Rijnsysteem is thans niet in evenwicht en deze zou nog verder, op een niet te onvoorziene wijze, worden verstoord als men nieuwe geulen gaat graven, die niet slechts bij extreem hoogwater actief worden, maar de bedoeling hebben het hele jaar door aan de afvoer deel te nemen.

Het is een illusie om te denken dat een nieuwe geul door de Betuwe niet van een oeververdediging behoeft te worden voorzien. Twee dingen zijn mogelijk: ofwel de geul gaat dichtslibben, of wel hij gaat zich ontwikkelen en meanderen. Beide gevaren zijn te beheersen door de geul in een tevoren bepaald bed vast te leggen.

Hoewel dat in dit artikel niet expliciet naar voren komt, wordt als één van de voordelen genoemd dat, in combinatie met het stromend maken van de Rijnstrangen, de geul door de Betuwe een krachtig middel zou vormen om de afvoerverdeling bij Pannerdense Kop in de hand te houden. Dat mag op papier zo lijken, maar in realiteit is dat een illusie. Het zou immers impliceren dat met grote nauwkeurigheid de hoeveelheden water zijn te meten en te regelen die het Rijnstrangen-gebied binnenstromen, er in het Pannerdens Kanaal weer vertraagd uitstromen en dan (gedeeltelijk) de Betuwe instromen.

Hoewel het voorstel aantrekkelijk mag lijken voor het Bovenrivierengebied, manifesteren de werkelijke gevaren van te veel water zich met name in het benedenstroomse deel van de rivieren en daar doet het plan niets positiefs aan. Bij Druten stroomt het water weer de Waal binnen en wellicht zelfs in grotere hoeveelheden dan zonder de nieuwe rivier. Immers, het plan zal mogelijk leiden tot minder afvoer door het vervolg van het Pannerdens Kanaal en door de Rijn en de IJssel en derhalve meer door de Waal.

Tenslotte wordt te gemakkelijk over de conclusies van de recente gezamenlijke Duits-Nederlandse studie, waaraan ook ir. Silva deelnam, heen gelopen. Daarin werd vastgesteld dat er niet meer dan ongeveer 16.500 M&Sup3;/s bij Lobith ons land kan binnenkomen. De frequentie van deze afvoer werd in de studie niet genoemd, maar naar schatting ligt deze rond 1:3.000 jaar, dus aanzienlijk zeldzamer dan de 1:1.250 jaar die voor onze dijken is aangehouden. Nu kan men zeggen dat er rekening mee moet worden gehouden dat de Duitsers de dijken snel kunnen gaan ophogen, maar dat is een volstrekt irreële veronderstelling. In de eerste plaats omdat het niet gaat om simpele dijkverhogingen, want de overstromingen in Duitsland vinden plaats in stedelijke gebieden, zoals Keulen en in het Roergebied en deze openingen zijn niet eenvoudig te dichten. In de tweede plaats is ook Duitsland gebonden aan een Europese overeenkomst die het niet toelaat dat een land maatregelen gaat nemen die in een benedenstrooms gebied de waterstanden doen stijgen.