Nederland moet eindelijk leren wat echte tolerantie betekent

Op 27 november publiceerde Geert Mak in deze bijlage een veelbesproken artikel (Kleine geschiedenis van een novembermaand) naar aanleiding van de reacties op de moord op Theo van Gogh. Later werkte hij dat uit in zijn pamflet `Gedoemd tot kwetsbaarheid'. Hij is van veel kanten aangevallen, onder andere in een open brief van schrijver Leon de Winter. In een nieuw essay `Nagekomen flessenpost' antwoordt hij zijn critici. Op deze pagina enkele onderdelen uit dit verweer, dat deze week in zijn geheel in de Groene Amsterdammer staat en later deze maand als pamflet in de boekhandel ligt. Leidende gedachte: we moeten ons niet bang laten maken door overdreven vijandbeelden.

Woorden hebben een enorme kracht, maar hoe staat het ondertussen met de daden? Opvallend is hoe deze regering – de VVD-ministers voorop – met twee tongen spreekt. Aan de ene kant harde taal over eerwraak, uithuwelijking, vrouwenmishandeling en andere excessen die in verband werden gebracht met de islam. Aan de andere kant steunt het huidige beleid nauwelijks de (vrouwen)groepen die daarbij in de frontlinie staan – en beknot hun werk soms zelfs, door hun subsidies af te bouwen in het kader van de zoveelste reorganisatie.

Wat moet ik denken van stichtingen als Oemnia (die Marokkaanse vrouwen uit hun isolement proberen te halen) en Het Spiegelbeeld (steun aan Marokkaanse meisjes) die nauwelijks het hoofd boven water kunnen houden? Of van de Vereniging Atalanta (bestrijding van handel in vrouwen, georganiseerd door de slachtoffers zelf) die vrijwel zonder een cent moet werken? Of van de stichting Kezban (tegen huiselijk geweld in moslimkringen) waar de gangmaakster ontslagen is wegens een of andere bezuinigingsronde in het welzijnswerk?

Laten we wel wezen: hier wordt nauwelijks een beleid ontwikkeld, uitgaande van en gericht op de praktijk. Hier wordt bovenal een vijandbeeld geschapen. En een vijand schept angst. En angst schept macht.

,,Er zijn'', meende de grote Europese pionier Jean Monnet, ,,altijd twee soorten dynamiek. De dynamiek van de hoop, en de dynamiek van de angst. Die laatste dynamiek leidt uiteindelijk altijd tot onderdrukking, geweld en zelfs oorlog. We hebben dus geen keuze.''

De laatste jaren bekruipt me soms het gevoel dat de dynamiek van optimisme ergens onderweg is omgeslagen in een cultuur van angst. En dat we daar langzamerhand al zo aan zijn gewend dat we het niet eens meer merken. ,,Het is oorlog.'' ,,De integratie is mislukt.'' ,,Een miljoen [in werkelijkheid is het een kwart] moslims.'' ,,De toegenomen onveiligheid.'' ,,Bezuinigingen.'' ,,Controleren.'' ,,Afrekenen.'' ,,Terroristen.'' ,,Nederland is een `failed state'.'' ,,Tijd om te emigreren?''

In werkelijkheid is er alle reden tot hoop, vooral als je achteraf bedenkt wat er in het afgelopen najaar allemaal níét is gebeurd. Er heeft zich een reeks racistische en antimoslim incidenten voorgedaan, maar níét in de grote steden, waar de problemen het grootst zijn. Het land is níét in oorlog geraakt. Ultra rechts is níét doorgebroken – in de huidige peilingen scoren de groep-Wilders en navenante groepen opvallend laag, zeker gezien de omstandigheden. De integratie is níét mislukt – integendeel, het drama van het afgelopen najaar bracht nieuwe visies, mogelijkheden en kwaliteiten naar boven. Nederland is níét een `failed state', het is, ondanks alles, een welvarende, oerdegelijke burgersamenleving waarvan de leden, zo bleek de afgelopen winter weer, zich niet snel gek laten maken.

Toch lijken we ons eigen, positieve verhaal te verliezen. In plaats daarvan duikt een negatieve variant op, dat van de meedogenloze vijand, waartegenover we ons moeten aaneenscharen tot elke prijs. En dat is precies wat iedere terrorist het liefst wil produceren: angst en nog eens angst.

Publicisten als Ayaan Hirsi Ali en Afshin Ellian confronteren ons met risico's en problemen die zij uit hun verleden maar al te goed kennen, maar die voor de doorsnee Nederlanders nieuw zijn. Ze zijn verbaasd, verontwaardigd zelfs, over het gemak waarmee sommige Nederlanders capituleren in de strijd om de vrijheid. Terecht stellen ze de vraag: ,,Waar zijn jullie principes?'' Die hartstochtelijke waarschuwingen kunnen we niet naast ons neerleggen.

Deze auteurs verliezen soms echter uit het oog dat alles wat ze bekritiseren in ,,het land van Ooit'' – het polderen, compromissen sluiten, tolereren, pappen en nathouden, de kwetsbaarheid – exact de keerzijde vormt van alles wat ze zo waarderen in hun nieuwe vaderland. Immers: zonder tolerantie geen vrije geest, zonder polderen geen welvaart, zonder compromissen geen democratie, zonder beschaving en zelfdiscipline geen persvrijheid, zonder pappen en nathouden geen bussen die als een klokje rijden, zonder kwetsbaarheid geen lucht en openheid.

Wij, Nederlanders, zijn dol op planning. Het temmen van de wilde realiteit met een strakke ordening is een klassieke reactie in dit polderland, en wat dat betreft past ook het integratiebeleid van minister Verdonk in een oer-Hollandse traditie. We trekken lijnen, we tellen en meten, we maken nieuwe burgers. Maar toch: waarom zijn hier, na al die jaren, nog steeds eindeloze wachtlijsten voor doodgewone taalcursussen? Waarom komt er zo weinig terecht van al die voor de hand liggende ideëen, variërend van de introductie van rituelen – het is nogal wat om de Nederlandse nationaliteit te krijgen – tot de dagelijkse lessen Nederlands op de publieke televisie en het op grote schaal stimuleren van simpele zaken als naai- annex taallessen voor allochtone vrouwen? Bestaat er, op Haags niveau, eigenlijk wel enig gevoel voor de wérkelijke urgentie?

Dwang heeft in dergelijke omstandigheden altijd slechts beperkt succes, eigenlijk vooral bij het opruimen van bepaalde obstakels. Als motor voor een emancipatieproces heeft het idee van maakbaarheid van burgers en samenleving uiteindelijk altijd gefaald. De tolerantie-zonder-interesse van de jaren '80 en '90 lijkt in één klap te zijn omgeslagen in repressie-zonder-interesse. Het politieke klimaat is 180 graden gedraaid, maar het gebrek aan kennis en belangstelling is nagenoeg hetzelfde gebleven. `Gastarbeider', `illegaal', `medelander', `moslim', we blijven wegrennen voor de nuchtere realiteit van het woord `immigrant'.

Rouwen verloopt altijd in fasen: ontkenning, verwarring, woede, treurnis, acceptatie, en dan begint het leven weer. Nederland zit nu midden in zo'n proces. De ontkenning hebben we achter de rug – jarenlang wilden de meeste Nederlanders niet onder ogen zien dat globalisering, modernisering, individualisering en immigratie hun knusse land grondig zouden doen veranderen. Paul Scheffers essay Het Multiculturele Drama was daarin een mijlpaal: opeens drong overal door dat het menens was, dat de immigranten níét de zoveelste zuil zouden vormen, en dat dit land níét meer kon overgaan tot de orde van de dag.

Toen kwam de verwarring, en een andersoortige ontkenning: een tendens tot afsluiting en isolement van het traditioneel open Nederland. Met Van Gogh kwam de woede. Zo langzamerhand wordt het tijd om de realiteit onder ogen te zien. Om pal te staan voor onze vrijheden en grondrechten. Om onze burgermoed weer uit de kast te halen. Maar ook om, heel nuchter en concreet, aan het werk te gaan. Om échte tolerantie aan te leren – en de botsingen die daarbij horen. Om te bedenken wat we van onze nationale erfenis kunnen achterlaten. Welke kwaliteiten koste wat kost behouden moeten blijven. En welk nationaal verhaal we voor de komende generaties verder zullen dragen.

Er is maar één mogelijkheid: de dynamiek van de hoop. We hebben geen alternatief.

Schrijver van onder meer `De eeuw van mijn vader' en `In Europa'.

www.nrc.nl/opinie

Artikel Mak uit november