Metzmacher verbindt oude met vernieuwende muziek

Ingo Metzmacher, vanaf september de nieuwe chef-dirigent van de Nederlandse Opera, is een kampioen van de 20ste eeuwse en eigentijdse muziek. Maar hij ziet de nieuwe muziek ook vooral in het verlengde van het verleden. Bij de Opera maakte hij vorige maand zijn debuut met Die tote Stadt van Erich Wolfgang Korngold. Het was een `ouderwets' klinkende opera als een hommage aan de componisten die het fundament legden onder de nieuwe muziek: herinneringen aan Wagner, Debussy en Bartók, vooral aan Strauss en Puccini, maar ook vooruitlopend op Alban Berg en terugziend op de operette.

In Die tote Stadt dirigeerde Metzmacher het Koninklijk Concertgebouworkest, dat hij gisteravond opnieuw leidde in een programma dat vernieuwers van de 20ste eeuwse muziek als Bartók en Kurtág plaatste in het perspectief van 19de eeuwse voorlopers als Wagner en Strauss.

Maar niet alleen `vernieuwing' was een thema in de weloverwogen hechte programmering van dit eenmalige `extra' concert dat uitliep op een publiek succes en waarvan de opname zondagmiddag wordt uitgezonden door Radio 4. Ook de instrumentatie was een uitgangspunt bij deze bijzondere keuze van muziek uit anderhalve eeuw. Zo voegde de Hongaarse componist György Kurtág in Stèle (1994) behalve blazers nog een piano en een cimbalon toe aan het orkestapparaat dat zijn landgenoot Bela Bartók gebruikte voor zijn Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta.

In Stèle, een indrukwekkend grafmonument voor de Hongaarse componist András Mihály, klonken ook Wagnertuba's die Richard Wagner nog niet had uitgevonden voor zijn vroege opera Tannhäuser (1845), waarvan hier de ouverture klonk. De donkere koperblazers werden in de uiteindelijk overweldigend opgebouwde ouverture sterk gecontrasteerd met de flitsende, heldere en stralende strijkers. En zo bezien was de forse bezetting van Richard Strauss' Don Juan (1888-'89), met brille en raffinement vertolkt, nog bescheiden vergeleken met de breed opgezette late avantgarde in Kurtágs Stèle, gecomponeerd voor de Berliner Philharmoniker en nu voor het eerst gespeeld door het Concertgebouworkest.

Stèle bleek in veel opzichten een verheviging en een extrapolatie van Bartóks Muziek voor snaarinstrumenten, slagwerk en celesta, dat door Riccardo Chailly misschien nog iets scherper en extremer zou zijn geprofileerd. Kurtágs zwaarmoedige klacht was een uitvergroting van Bartóks dreigende vlagen Blauwbaard, die door zijn muziek heendringen. Kurtágs miniem pinkelende nootjes op de cimbalon, een typisch instrument van de Hongaarse volks- en zigeunermuziek, klonken als sterren aan een diepzwarte hemel.

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Ingo Metzmacher. Gehoord: 13/5 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 15/5 14.15 uur.