Lege concertzaal komt echt niet door nieuwe muziek 1

Wanneer muziekregenten zich over componisten ontfermen, is het resultaat meestal klinkklare onzin. Dat het niet goed gaat ,,met de nieuwe, serieuze muziek in Nederland'' is een niemendalletje dat ook in 1605 van toepassing was. Dat enkele componisten zich door het `Fonds voor de Scheppende Toonkunst' benadeeld voelen en hun gelijk met esthetische argumenten proberen te halen, is volstrekt natuurlijk. Ook zij willen meedelen in het geld.

Waar Ton Boersma (Opinie, 10 mei) de lege concertzalen aan de nieuwe muziek wijt, ziet hij over het hoofd dat we niet met een crisis van deze muziek te maken hebben maar met een crisis van het concert zelf. De overheid helpt niet het ene orkest na het andere om zeep, omdat die te modern programmeren. Ook de brave vertolkers van de Beethovencyclus moeten onder de valbijl, omdat de economie van `het concert' in al haar voegen kraakt. Met Fondsen voor componisten die slechts een druppel water in de muziekbegroting van het rijk zijn heeft dit alles niets uit te staan.

Volgens Boersma moet tot de criteria om de totstandbrenging van een werk te honoreren, voortaan gerekend worden: ,,Is het publiek bereid het werk aan te horen?'' Dat zoiets bij nog onbekende werken onmogelijk is, kan er bij Boersma niet in. Met dit soort populisme zou er geen enkel werk van de ooit `nieuwe' Bach, Beethoven of Mahler tot stand gekomen zijn.

En die levende componist dan: plak zijn werk tussen Mozart en Schubert, dan loopt de zaal vol en wordt hij rijkelijk beloond. Plaats je hetzelfde werk tussen Schönberg en Nono, dan moet onze arme componist naar de bijstand. Bovendien is de heer Boersma volkomen ontschoten dat er sinds het van kracht worden van de Auteurswet zo'n kleine 92 jaar geleden! al een remuneratie voor uitvoeringen van muziekwerken plaatsvindt.

In plaats van zich af te vragen of het `Fonds voor de Scheppende Toonkunst' niet in zijn geheel een politiek foute constructie is die broodnodig door een fundamenteel andere moet worden vervangen, komt Boersma met onbeholpen lijmpogingen. Alleen is Boersma vergeten: de kwaliteit van (nieuwe) muziek kan niet in centen of procenten worden gemeten, en vooral niet door grijze commissies.

De Nederlandse componisten zouden er goed aan doen om grondig na te denken over de fundamentele vraag welke kant zij willen uitgaan: die van een nog verdere verburgerlijking onder het juk van ambtenaren, bestuurders en selectiecommissies of die van innerlijke vrijheid en esthetische onafhankelijkheid.

Het is best mogelijk dat het publiek juist die onafhankelijkheid mist en moe wordt van een vergrijzende `eigentijdse' staatskunst.