Kurt Cobain inspireert Van Sant

Gisteren ging `Last Days' van Gus van Sant in première in Cannes. De film is geïnspireerd op de laatste dagen van Nirvana-zanger Kurt Cobain.

Het voordeel van een festival met veel grote namen is dat er vergelijkingsmateriaal is. Last Days van Gus van Sant, die hier gisteravond in première ging, is bijvoorbeeld veel beter dan Gerry (2002), maar ook dan Elephant (2003), waar hij twee jaar geleden in Cannes de Gouden Palm voor kreeg. Last Days is een film als een drug. Je gaat er bijna van hallucineren en in ieder geval aan je eigen waarnemingen twijfelen.

De film is geïnspireerd op de laatste dagen van Kurt Cobain, voorman van de rockband Nirvana, die in 1994 zelfmoord pleegde. Meer niet: er is bijvoorbeeld geen muziek van Nirvana in de film te horen en drugs zijn ook niet te zien. Van Sant gebruikte ook herinneringen aan zijn acteur River Phoenix, die in hetzelfde jaar als Cobain aan een overdosis bezweek. In de film zien we een jongen, Blake genaamd, zich verstoppen in zijn eigen huis en de omgeving daarvan. Hij zwemt in een meer, stookt een vuurtje, speelt gitaar. Net als in Gerry en Elephant speelt Van Sant een spel met de tijd. In Last Days is hij er zo goed in geworden dat het uit de hand mag lopen. Je weet werkelijk niet meer waar je wanneer naar zit te kijken, en dat geeft niet omdat er tegelijkertijd zo veel concreets te zien is: het klaarmaken van macaroni met kaas en melk, of het hemelse gezicht van Michael Pitt, die in The Dreamers van Bertolucci zo op de jonge Chet Baker leek en in deze film al op de latere gaat lijken; de ruïne van een jeugd. De film zwelgt in alles wat van jeugd zo hemels een ruïne kan maken.

Wel heel veel vergelijkingsmateriaal is er voor Kim Ki-Duk, de Koreaanse komeet die sinds zijn debuut in 1996 twaalf films maakte en wiens geweldige Bin-Jip nu nog in de Nederlandse bioscopen te zien is. The Bow, die de sectie `Un certain regard' – het op één na belangrijkste programma – opende, is een staalkaart van Ki-Duks kunnen, zo overdreven dat wat in zijn eerdere films indruk maakte, nu al kitsch is, zoals het kleurgebruik en het gezwijg van de hoofdpersonen. Een glimlachend meisje in een traditioneel Koreaans bruidskostuum dat op een oude boot in een eenzame zee door de wind ontmaagd wordt, is een beeld dat al te opzichtig schitterend en mysterieus wil zijn.

Vergelijkingsmateriaal ontbreekt bij Bashing van de Japanse regisseur Masahiro Kobayashi. Hij vertelt een verhaal dat voor westerlingen moeilijk te begrijpen is en zeker niet na te voelen. Bashing gaat over een meisje dat als vrijwilligster naar Irak is geweest en daar gegijzeld is. Terug in Japan worden zij en haar familie door iedereen gemeden. Ze ontvangen hatemails, worden telefonisch uitgescholden en het meisje en haar vader worden ontslagen. Het is een film die om een heel andere reden dan Last Days verwarrend is; daar is het gegeven bekend en de vorm minder. Bij Bashing is het, in ieder geval in Cannes, andersom.