Het taxivraagstuk

Nu de dollar zo goedkoop is, gaan veel Nederlanders een kijkje in New York nemen. Een verstandig besluit. Dat zullen ze ervaren zodra ze door de grensbewaking zijn toegelaten en de aankomsthal hebben verlaten. Ik neem aan dat deze bezoeker naar Kennedy Airport is gevlogen. Hij/zij staat buiten op de stoep, moet naar Manhattan. Aan de overkant van de rijweg is de taxistandplaats. Natuurlijk zijn er ook bedenkelijke particulieren die beloven dat ze je voor een spotprijs naar waar ook in Amerika zullen rijden, maar daar trap je niet in. Je steekt over, gaat in de rij staan, komt aan de beurt, zegt tegen een geüniformeerde functionaris waar je heen wilt – Manhattan, de Bronx, Brooklyn of Queens – en dan krijg je een papiertje. Al die bestemmingen hebben een `flat rate'. Dat wil zeggen: de chauffeur brengt je voor de vaste prijs naar het aangegeven adres. Voor Manhattan is dat veertig dollar, plus de tol van de tunnel en de fooi. De chauffeur houdt zijn mond en kiest de kortste weg, en de passagier kan ongestoord genieten van het uitzicht op de buitenwijken, de rotzooi van de rafelranden, en eindelijk de skyline. Na een uurtje is hij waar hij moet zijn, betaalt, geeft een paar dollar fooi, en daarmee is de eerste kennismaking met een van de beschaafdste steden ter wereld voltooid. In plaats van de taxi kun je de `skytrain' naar Howard Beach nemen en dan met de subway verder. Maar dat zou ik niet doen, want ten eerste ben je bek-af van de reis, en ten tweede moet je, zoals in iedere stad, eerst leren hoe het openbaar vervoer werkt.

Eergisteren ging ik met de trein van Den Haag naar Amsterdam. Op Schiphol stapten een stuk of tien jonge Britse toeristen in, die, voorzover ik kon zien, vastberaden van plan waren om zich in ons Mekka van verdraagzaamheid dit weekeinde suf te blowen, vol te zuipen en als hun krachten daartoe nog zouden strekken, iets aan seks te doen. Bij mooi weer zie je ze terug, een paar dagen later, slapend in de muziektent van het Thorbeckeplein of in deerniswekkende toestand voor zich uit starend op een bankje aan de gracht. Zonder vertraging bereikte de trein het CS. Nog in de volle kracht van hun leven sprongen ze op het perron en verdwenen in de menigte. Ik had haast, ging naar de taxistandplaats.

Ver terug in de vorige eeuw waren de Amsterdamse taxi's met die van Tokio de duurste ter wereld. Nog voor de auto was gaan rijden werd je al beroofd. Niet ten onrechte werd dit de `eerste aanslag' genoemd. Veel chauffeurs begonnen meteen met de klant te praten over buitenlanders die niet deugden en daarom van de regering een kaartje enkele reis terug moesten krijgen. Wat je nu van de regering zelf hoort. Vooral in Het Parool stond toen iedere week wel een reportage over duistere kongsi's die het in de taxiwereld voor het zeggen hadden, of probeerden dat te krijgen, en daarom de concurrentie aftuigden. Regelmatig werd door de overheid een keihard ingrijpen aangekondigd.

Was het minister Kroes die de vrije markt voor de taxi's heeft ingevoerd? Geen idee meer. In ieder geval iemand. Ik kreeg hoop. Maar wie daarvan ook iets heeft gemerkt, niet de passagier. De rit bleef een vermogentje kosten en Het Parool bleef rapporteren over de conflicten in de taxibranche. Ik borg de hele problematiek op in de kast van de onbegrijpelijkheden en nam nog meer dan vroeger de tram.

Nu dwong na lange tijd de nood weer tot een taxi. Je weet niet wat je ziet. Van de stationsuitgang tot de Prins Hendrikade stond een file. Zodra had ik laten merken dat ik een klant was, werd ik omringd door taximensen die me naar hun auto wilden voeren. Ik meneer! Nee ik was eerst! Hij steelt mijn vrachtje! Waar moet u heen! Dat weet ik het beste! Nee! Ik weet het beter! Sommige concurrenten begonnen elkaar uit te schelden, in bewoordingen die ik niet in de slijpsteen wil zetten. Het was de vrije markt op z'n best. Wat te doen?

In de mêlée begon ik te aarzelen. Zou ik degene kiezen die er het betrouwbaarste uitzag of de sjlemiel die mijn klandizie het hardst nodig leek te hebben. Embarras du choix! In zo'n geval verlies je natuurlijk altijd; althans ik. Het werd degene die zijn voorkomende beleefdheid jegens mij met de afschrikwekkende werking van zijn agressiefste gedrag tegen de concurrentie wist te combineren. Voor ik het wist zat ik achterin en was hij bezig, zich een weg door de file te banen. Hij zwenkte handig tussen twee mededingers door, nam een stuk stoep en zo bereikten we na een minuut of vijf de vrije baan van de Martelaarsgracht. Ik had een spraakzame man getroffen die steen en been klaagde over de toestanden in de taxiwereld, de verzekeringspremies, de garagetarieven en alle ongemakken die een chauffeur verder kunnen overkomen. Niet gering. Maar wat wil je. Hij had vrouw en kinderen. Met inflatie- en eurocorrectie bleek het tarief nog even hoog te zijn als in de tijd van de gulden.

Geen macht ter wereld zal ooit iets aan het Amsterdamse taxiwezen kunnen veranderen. Door alle maatregelen tot verbetering is het nog idioter geworden dan het al was. Hoe komt het? Dat weten we niet. Maar ga eens kijken in New York, stad met nog veel meer rassen, godsdiensten, voorkeuren, liefhebberijen, sportfanaten, invaliden, jongeren en hoogbejaarden dan we hier hebben. En meer gepraktiseerde vrijheid van meningsuiting. En uitstekende taxi's.