Flamboyante platen

De Franse platenproducent en talentenontdekker Eddie Barclay is gisternacht op 84-jarige leeftijd overleden. Hij was een sleutelfiguur in de geschiedenis van het Franse chanson, hoewel die status soms in de schaduw kwam te staan van zijn flamboyante levensstijl. Niet alleen als bewoner van een riant buitenhuis in Saint-Tropez, maar ook als ex-echtgenoot van talloze vrouwen. Op zijn 80ste trouwde hij nog met een 17-jarig meisje, dat hem met u aansprak.

Eddie Barclay, die eigenlijk Edouard Ruault heette, begon als jazzmuzikant en orkestleider, en richtte 1949 zijn eigen platenmaatschappij Barclay op. De grote doorbraak kwam enkele jaren later, toen hij van een bezoek aan de VS de eerste 33- en 45-toerenplaten meenam en dit systeem, dat de oude 78-toerenplaat verving, in Frankrijk introduceerde.

Barclay werd het platenlabel, waarop latere groten als Charles Aznavour, Jacques Brel, Léo Ferré en Dalida hun eerste opnamen maakten. Ook de Nederlandse zanger Wouter Levenbach debuteerde, onder de naam Dave, bij Barclay.

Zijn neus voor talent en zijn vele successen maakten hem tot een vermogend man, wiens commerciële instelling sommige artiesten te ver ging. Ferré schreef daarover het ironische lied M. Barclay m'a dit, maar bleef zijn platenbaas wel trouw. Net als Jacques Brel, die in 1978 grimmig aan een vriend schreef: ,,De gedachte om mij een plaat te laten opnemen met Barbra Streisand, kan alleen rijpen in de seniele koker van Eddie Barclay.''

Eind jaren zeventig verkocht Barclay zijn bedrijf aan Philips, waar hij aanbleef als adviseur. Zelf schreef hij zijn succes toe aan het feit dat hij met zijn artiesten persoonlijk bevriend raakte. ,,Artiesten zijn vaak levende ledepoppen,'' zei hij in Le Monde, ,,die liever met een individu werken dan met een multinational.''