Doof coconnetje binnen horende wereld

Een aanstaande moeder en haar vriend, allebei doof, willen het beste voor hun kind. Dus willen ze dat hun kind wel kan horen. Dan krijgt het meer kansen in de maatschappij – kansen die ze zelf vanwege communicatieproblemen in een voornamelijk horende en hardop sprekende wereld niet gekregen hebben. Of ze willen juist dat hun kind ook doof is. Dan deelt het hun cultuur, dan zal het nooit hun tolk hoeven zijn voor de buitenwereld en zich dus niet volwassen hoeven voor te doen voordat het daaraan toe is. En het zal zich niet anders hoeven voelen dan de ouders zich vroeger hebben gevoeld, als doof kind.

Wat willen de meeste dove ouders in spe in de praktijk? De tweede optie. Een doof kind. En is dat egoïstisch? Misschien wel voor wie geen doven kent en denkt dat doofheid louter een lichamelijke handicap is. Mensen die geen benen hebben, zouden wel gek zijn om een kind te willen dat ook geen benen heeft en dus weet wat zijzelf moeten doormaken. Maar doven – doofgeborenen – zien zichzelf niet als gehandicapt, als mensen zonder oren, maar als een minderheidsgroep met een eigen taal en cultuur. Zijn ze dan gek om te verlangen naar een doof kind?

Vanavond tracht de BBC-documentaire Ik wil een doof kind die vraag voorzichtig te beantwoorden. Claire is een dochter van dove ouders en opgegroeid in een omgeving waar iedereen gebarentaal sprak. Paul is een zoon van een horende moeder die dacht dat het fout was om haar zoon gebarentaal te leren, zoals dat vroeger vaak het geval was, en die zich niet realiseerde dat ze Paul daarmee bijna de toegang heeft ontnomen tot een cultuur waarin hij wel gemakkelijk kon functioneren.

Nu ze zwanger zijn, vormen Claire en Paul samen meer dan ooit een gebarend doof coconnetje binnen een sprekende en horende wereld. Iedereen in het ziekenhuis, elke kraamhulp, heeft moeite om zich zonder gebarentolk – er is er niet altijd een beschikbaar – begrijpelijk tegenover hen uit te drukken, en zij om hen te begrijpen. Ze zijn zo onzeker als aanstaande ouders maar kunnen zijn. Schokkend is niet dat ze een doof kind willen – het is beter om je kind in emotioneel opzicht het beste te gunnen dan materieel gezien. Schokkend is bijvoorbeeld hoe weinig moeite Pauls moeder doet om ook maar een paar basale gebaren te leren zodat ze met haar schoondochter kan praten (`en ze leert wel Frans en Spaans', zegt die terecht kwaad). Egoïstisch is dat zij wil dat hun kind kan horen. Ze bedoelt het vast goed, maar ze begrijpt er niets van. Dat besef alleen al maakt deze documentaire belangrijk, al was meer informatie over de dovencultuur prettig geweest.

Dokument: Ik wil een doof kind, NCRV, Ned.1, 23.05-23.45u.