De voltooide tulp

Twee filmhuizen wijden een retrospectief aan de experimentele filmkunstenaar Frans van de Staak (1943-2001). Iedereen mocht in zijn films meedoen, als ze maar niet acteerden.

De filmer Frans van de Staak geloofde niet in acteurs die een opleiding hadden genoten. Evenmin had hij vertrouwen in films die een begin, midden en einde hebben. Hij had een rotsvast vertrouwen in het toeval, het onopgesmukte, het anti-acteren. Maar ook dat laatste was een benaming die te zwaarwichtig was. Cineast Frans van de Staak, die op 28 mei 2001 op 57-jarige leeftijd overleed, liet een oeuvre na dat slechts weinigen kennen. Om hem in een enkele zin te typeren: hij was, of wilde zijn, de Nederlandse Godard. Regisseurs als Jean-Marie Straub of Johan van der Keuken golden als zijn voorbeelden.

Voor de tekst putte hij uit dichters en schrijvers als Spinoza of Kouwenaar. Hij liet acteurs wonderlijke handelingen verrichten, zoals al wandelend een eitje bakken op en komfoortje, urenlang in de wc praten over een zwanenhals, het kamerbehang bestuderen of de straat opgaan en een willekeurige voorbijganger aanspreken. Hoewel hij een maker was, een scheppend kunstenaar, hield hij van uitwissen, wegduwen, verdwijnen. Titels van zijn films zijn Rooksporen, Kladboekscènes, Toespraak tot een landschap of Zes gedichten van Hubert Kzn. Poot. De muziek in zijn films werd veelal verzorgd door trombonist Bernard Hunnekink van het Willem Breuker Collectief.

Aan een film uit 1980, die hij de onvergetelijke titel De onvoltooide tulp meegaf, bewaar ik de mooiste herinneringen. Ik woonde nog maar pas in Amsterdam en speelde in een toneelstuk van een studentengezelschap, de Handke/Weiss-groep. Op een vroege avond ging de bel over van mijn huurkamer. Een schuchtere man kwam naar boven. Het eerste wat ik, staande in het hoge trappenhuis, van hem waarnam was een dichte warrige haardos. Hij zocht acteurs voor een film, maar ik wierp meteen tegen dat ik geen enkele filmervaring had. ,,Dat hoeft niet, waarom moet dat eigenlijk?'' Een dag later stond ik op de set. Ik mocht een vriend meenemen, mits hij maar niet kon acteren. Die vriend nam weer een kennis mee. En zo voegde Frans van de Staak zijn acteurs bij elkaar. Zijn motto luidde: ,,Als ik film, besta ik niet meer voor mezelf.''

De onvoltooide tulp werd een paar jaar geleden vertoond in het Amsterdamse Filmmuseum. Ik ging kijken, uit eerbetoon aan Frans van de Staak en uit nieuwsgierigheid de film nog eens te zien na zowat een kwart eeuw. Ik was de enige bezoeker, al speelden zo'n twintig mensen mee. Van de Staak stuurde bewust aan op, wat ik zou noemen, `doelloos acteren'. We moesten voor de camera gaan staan en de tekst zeggen. Bizarre, absurde dialogen waren het. Ik stond met mijn medespeelster in een kast. Ik vroeg haar een nijp- of waterpomptang. Waarop zei repliceerde: ,,Hier is wat je zoekt.'' Het was een alledaagse conversatie en op een bepaalde manier ook verheven.

Het viel me op dat wij, acteurs-tegen-wil-en-dank, naar de grond keken. Frans van de Staak zei er nooit iets van. De filmkunstenaar geloofde in de eerlijkheid van stotterende stemmen, versleten kleren, ongepolijste dialogen. Daags na de opnames kwam hij opnieuw langs. Hij deed me twee zeefdrukken ten geschenke. Prachtige, kleurrijke werken die nog steeds stralend blauw en dieprood zijn. Hij zei: ,,Dit zijn echte tulpenkleuren.'' De tulp werd alsnog voltooid.

Filmhuis Cavia en Filmmuseum Amsterdam wijden vanaf vandaag een retrospectief aan Frans van de Staak. Inl.: www.filmhuiscavia.nl en www.filmmuseum.nl.