Antwoord aan Leon de Winter

In een open brief aan mij (Opinie & Debat, 19 maart) schrijft Leon de Winter dat we in de kern niet te maken hebben met een reeks vraagstukken van immigratie en integratie, maar met een godsdienstig conflict. Hij citeert daarbij met instemming de vooruitstrevende Canadese moslima Irshad Manji, die de moslims in het Westen de elementaire vraag voor de voeten gooit: ,,Blijven we geestelijk infantiel, toegevend aan de culturele druk om je mond te houden en je te conformeren, of zullen we rijpen tot volwaardige burgers die de pluriformiteit verdedigen die ons toestaat in dit deel van de wereld te leven?'' Vervolgens houdt De Winter een uitvoerig betoog over de starheid waartoe de islam in veel landen heeft geleid, met cijfers die ik maar al te goed ken, en die er inderdaad niet om liegen: ,,Het is niet niks wat Manji in die ene zin stelt: moslims zijn geestelijk infantiel, zijn bang om hun mond open te doen en bezwijken onder culturele druk.''

Nu is Irshad Manji bewust moslim gebleven, ze noemt zichzelf MuslimRefusenik en ze heeft een hoogst interessante ontwikkelingsgang achter de rug. Manji is, in haar moslimmoderniteit, dus een wandelend voorbeeld van het tegendeel van wat De Winter beweert. De Winter volgt in werkelijkheid dan ook de gedachtelijn van iemand anders: de invloedrijke historicus Bernard Lewis, die de culturele stagnatie van de Arabische wereld grotendeels verklaart uit de islam. In zijn ogen is dat altijd een starre, intolerante, totalitaire, agressieve en anti-westerse godsdienst geweest, die nooit in staat zal zijn tot enige vorm van modernisering.

Die visie is in strijd met de historische werkelijkheid. Denk maar aan de schoonheid en de intellectuele kracht van de vroege islam (Granada, Cordoba), de snelle modernisering van het Ottomaanse rijk aan het eind van de 19de eeuw, de individualisering van de hedendaagse islam, de beginnende ontwikkeling van een typisch Europese islam, de moderniteit waarin miljoenen ontwikkelde moslims in Indonesië, Maleisië, Turkije, Iran en de Arabische wereld allang hun weg hebben gevonden. Hier gebeurt iets heel anders, hier wordt – Michiel Leezenberg signaleert het terecht in zijn bespreking van Lewis' werk (NRC Handelsblad, 25 maart) – de Koude Oorlog voortgezet met andere middelen: de islam speelt voor publicisten als Lewis en De Winter eenzelfde rol als vijand van het moderne liberale Westen als eerder het communisme.

Het is moeilijk om het idee van een eeuwige verstarring vol te houden. Overal in de Arabische wereld worden op dit moment vaste patronen doorbroken – en het einde is nog niet in zicht.

Of dat trouwens voor het Westen allemaal even gunstig zal uitpakken, is de vraag. Algerije, waar vrije verkiezingen uiteindelijk leidden tot een halve burgeroorlog, is en blijft een schrikbeeld. Bij werkelijk vrije verkiezingen is het goed mogelijk dat de islamisten het ook prima zullen doen in landen als Libanon, Egypte, Jordanië en de Palestijnse gebieden. Niet omdat de bewoners van deze landen zulke fanatieke moslims zijn, maar omdat de religie voor miljoenen ontrechte en vergeten burgers als enige uitdrukkingsmogelijkheid is overgebleven.

Ik zie de problemen van een radicaliserende islam en slecht integrerende immigranten net zo scherp als De Winter. Volgens mij ligt de oorzaak echter niet bij de godsdienstige verschillen, maar vooral in de cultuurbreuk tussen platteland en stad – de meeste moslim-immigranten uit Istanbul integreren in Amsterdam vrijwel even snel als katholieken uit Milaan of Rome. Ik problematiseer bovendien onze eigen samenleving. Niet om ,,met de ultieme dooddoener vernedering'' (De Winter) de gemakzucht van sommige immigranten te verontschuldigen, wel om een paar vragen te stellen bij al onze vanzelfsprekendheden.

De Amerikaanse terrorisme-expert Jessica Stern, die een aantal religieuze terroristen – christelijke fundamentalisten in Oklahoma, islamitische jihadi in Pakistan, gewelddadige joodse messianisten – uitvroeg over hun motieven, sprak van een permanent patroon. In vrijwel ieder gesprek kwam één woord telkens weer terug: vernedering. ,,Vernedering – op nationaal of individueel niveau – blijkt één van de grootste risicofactoren te zijn'', concludeert ze in haar studie Terror in the Name of God. Het grootste probleem is volgens haar de verleidelijkheid van religieuze radicalisering, als alternatief voor alle problemen, ontworteling en eenzaamheid van de huidige westerse samenleving.

Het terrorisme en radicalisme waarmee we in deze jaren worden geconfronteerd, lijkt dus in niets meer op het politieke radicalisme van de jaren '60 en '70. Het is nu, schrijft Stern, vooral een antwoord op het ,,grote gat in de vorm van God'' (Sartre) dat in de seculiere westerse cultuur is ontstaan. Radicale godsdienstige groepen reageren op die leemte in de westerse levenshouding met woede, vooral jegens uitingen van moderniteit: tolerantie, gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen, moderne wetenschap, geestelijke vrijheid. Hun zondebokken variëren van anti-abortusartsen tot moderne theologen en voorvechtsters van vrouwenemancipatie.

Het verzet tegen deze radicale uitwassen mag echter nooit leiden tot de vorming van een soort nieuwe staatsgodsdienst, een algemene godsdienstige moraal die in deze tijd vooral `verlicht' en `seculier' van karakter zou moeten zijn. De roep daarom is volstrekt in strijd met onze pluriforme religieuze traditie.

Ondertussen zijn de gevolgen van deze heilloze polarisatie voor iedereen merkbaar. Er wordt gepraat over `Nederlanders' en `moslims', terwijl het maar al te vaak gaat om mensen die hier geboren zijn, met een Zwols of een Leids accent spreken, pils en wijn drinken, en soms zelfs literaire prijzen binnenslepen. Op scholen klitten kinderen uit immigrantengezinnen opeens samen, kinderen uit volstrekt seculiere, antifundamentalistische gezinnen praten plotseling vol sympathie over Mohammed: ,,Mo is cool.'' Ze voelen haarscherp aan waar het uiteindelijk om gaat: niet om de godsdienst, maar om het eeuwige brandmerk `vreemdeling'.

www.nrc.nl/opinie

artikel Leon de Winter