Aanstormende emeriti

Moderne hoogleraren roeren zich ook na hun pensioen. De jaren-zestig generatie gaat met emeritaat. De eerste belangengroepen zijn al opgericht. Universiteiten bieden weinig.

`WIE JE OOK bent, je bent weg en er is geen plaats meer in de universitaire structuur'', zegt emeritus hoogleraar bedrijfseconomie Pjotr Hesseling. Hij voegt daar meteen aan toe dat je je navolgers ook niet voor de voeten moet lopen. Zelf is de 73-jarige Hesseling nu bijna tien jaar met emeritaat aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Hij ervaart dat dubbel: ``Je bent uit dienst, uit je vakgroep, je kunt buiten je eigen discipline treden.'' Maar hij constateert ook dat er veel ongebruikte capaciteit is. ``De babyboomgeneratie zal nog geschokt zijn te merken dat er geen plaats voor hen is.''

Hoogleraren die met pensioen gaan vallen in een organisatorisch vacuüm. Geen secretariaat of computerondersteuning meer, geen laboratoria, geen operatiekamers en geen patiënten. In de Verenigde Staten is het veel gebruikelijker om gewoon door te werken. In Nederland is het maximum haalbare voor de emeritus een contract op jaarbasis, na gebleken geschiktheid. In de medische wetenschappen wijken sommige emeriti uit naar het buitenland, omdat zij daar nog wel operatiehandelingen mogen verrichten.

verlichting

Emeriti in Utrecht zijn daarom actief binnen een eigen Taskforce Emeriti en nemen onderzoeks- en leeropdrachten aan. Binnen de Utrechtse universiteit bestaat ook een overleg waaraan alle emeriti met een BV deelnemen. In Rotterdam is via het onderwijs aan ouderen een Leerplatform actief. Eén van de resultaten van het Leerplatform was de oprichting eind vorig jaar van een nieuw genootschap: het Genootschap Nut U3A, waarbij het laatste staat voor universiteit voor de derde levensfase. Genootschap Nut verwijst naar het meer dan tweehonderd jaar oude genootschap Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Het genootschap richt zich overigens niet alleen op de universiteit. ``We willen op de Verlichting geïnspireerde nieuwe projecten het leven laten zien'', licht Hesseling toe. De kerngroep van het Genootschap Nut U3A bestaat naast de emeritus uit een gepensioneerd bankier, een ex-vrachtwagenchauffeur, een taaldocente, een afgestudeerd bedrijfskundige en een maatschappijhistoricus. ``Ouderen zijn interessant als ze de koppeling maken naar pas afgestudeerden. Daarna zijn mensen in een concurrentiestrijd met elkaar.'' De intrede van Turkije in de EU en sociale cohesie zijn thema's waar zij zich ongebonden en kleinschalig voor willen inzetten.

Representeert de bedrijfseconoom Hesseling een voorhoede van aanstormende emeriti? Socioloog Henk Becker, emeritus sinds 1998, denkt van wel. Hij verrichtte onderzoek onder Utrechtse emeriti. Daaruit bleek dat de meeste hoogleraren doorwerken na hun pensionering. Oud-hoogleraren werken gemiddeld 21 uur per week; met een klein aantal van hen maakte de universiteit afspraken over de periode na hun uittreding. De emeriti begeleiden promovendi, wat ook wettelijk geregeld is in de Wet op het Hoger Onderwijs en ze publiceren. Degenen die niet door kunnen werken, door ziekte van zichzelf of hun partner bijvoorbeeld, vinden dat spijtig, maar wonen dan nog dikwijls promoties bij, of academische plechtigheden.

De nieuwe lichting emeriti gaat meer eisen stellen, om contracten vragen, voorspelt socioloog Becker. Gevraagd naar de invloed van zijn bekende generatietypologie: ``Ik zelf ben van de stille generatie, met een traditionele rolverdeling met de vrouw als huismoeder. Maar de protestgeneratie komt eraan, waarvan de vaak jongere, hoger opgeleide vrouwelijke partner ook werkt.'' Daardoor zullen mannen ook eerder geneigd zijn door te werken. Becker voorspelt een tekort aan kenniswerkers en pleit alleen al daarom voor meer mogelijkheden voor emeriti binnen de universitaire organisatie. De omgang met emeriti verandert langzaam. In veel `exitgesprekken' ligt het onderwerp `emeriti-overeenkomst' op tafel. Maar algemeen beleid is er nog niet, het meeste gebeurt ad hoc, zo wijst een telefonische ronde langs de universiteiten uit. ``In Amerika is het doodnormaal dat hoogleraren op hun 70ste of 80ste nog een kamer hebben'', verzucht Becker.

De Universiteit Utrecht en de Universiteit van Amsterdam zijn het verst met hun emeritibeleid. De UvA, waar in 2003 vijftig hoogleraren met pensioen gingen, biedt gastvrijheidsovereenkomsten aan in een aantal varianten. NWO subsidieert er de Van der Leeuwleerstoelen. Deze zogenaamde `dakpanconstructie', met een dubbele bezetting van een leerstoel door een komende en een vertrekkende hoogleraar, moet de vergrijzing en de opvolgingsproblematiek het hoofd bieden. Instroom en doorstroom staan in de schijnwerpers, niet de aanstaande emeritus.

Ruud Janssens, 43 jaar, deelt op die manier de leerstoel Amerikanistiek aan de UvA met de 64-jarige Rob Kroes. Ze regelen hun taken in onderling informeel overleg. Maar Kroes wordt deze zomer 65 jaar en zou ook na zijn emeritaat nog graag een college blijven verzorgen. Buitenlandse studenten komen af op zijn gevestigde naam op het terrein Amerikaanse Cultuur in Europa. Maar als Kroes college blijft geven kan dat collega's banen kosten. ``De dreiging is en die wordt in de huidige situatie al uitgesproken en uitgevoerd dat men bij extra colleges van Kroes gaat spreken van overcapaciteit en dientengevolge Amerikanistiek-medewerkers voor andere vakken buiten het vakgebied gaat inzetten'', legt Janssens uit. Zelf vindt Janssens het voor de kwaliteit een pré dat Kroes een college blijft geven, maar hij kan zich voorstellen dat je je niet prettig voelt als emeritus, wanneer het consequenties voor je collega's heeft. Moet het dan toch maar buiten de gebaande organisatorische paden om?

heliview

Wat hebben oudere profs voor bijzonders te bieden? Die vraag leeft onder emeriti, merkte Becker als emeriticontactpersoon. Het antwoord lijkt gelegen in hun brede kijk op wetenschap, of dat nu biologie, letteren of sociologie is. De nadruk in de jaren tachtig en negentig lag op topspecialisaties en er was weinig tijd voor brede ontwikkelingen in eigen vakgebied. ``Juist zij zouden met hun heliview een bijdrage kunnen leveren aan de kennisinnovatie, waar Nederland en de EU zo'n behoefte aan hebben'', zegt sociaal gerontoloog Piet Houben, zelf emeritus aan de Vrije Universiteit Amsterdam en actief als consultant. Houben werkte zelf aan het wetenschappelijk bewijs van het kunnen op oudere leeftijd. In de eerste levenshelft bloeit het neurofysieke systeem, de `hardware'. De hersenfuncties kunnen snel en accuraat elementaire procestaken uitvoeren, zoals hoofdrekenen, visuele en motorische herinnering en snel oordelen en categoriseren.

De menselijke `software' daarentegen bestaat uit inhoudelijke en procedurele kennis en bevat de ingrediënten voor wijsheid. Gemiddeld stijgt ze gedurende de gehele levensloop en piekt vervolgens rond het 70ste jaar. Maar, waarschuwt Houben, alleen mits iemand zelf in die ontwikkeling investeert en wordt gestimuleerd door zijn omgeving. Berlijnse onderzoekers toonden aan dat vooral ouderen met een hogere sociaal-economische status bovengemiddeld op de softwarevaardigheden scoren. Emeriti bijvoorbeeld. Maar ook die moeten stimulansen geven en krijgen. Houben: ``Met uitzondering van de Universiteit Utrecht benutten de universiteiten deze mogelijkheid onvoldoende of geheel niet.''