Column

Zonderling

Niet lang geleden bezocht ik een oude, zieke vriend in zo’n veel te groot medisch centrum. Voor ik zijn kamer had gevonden, was ik een uur verder. Een of andere autist had in dit nieuwe ziekenhuis een design bewegwijzering ontworpen die je alleen kon snappen als je minimaal drie flessen illegale Georgische wodka had genuttigd. Uiteindelijk arriveerde ik op de betreffende afdeling. In de hal bij de liften zat een plukje gestreepte pyjamamannen illegaal te roken. Twee van de drie hadden een stellage op wieltjes waaraan een zak met troebele urine hing.

Mijn vriend lag op de rochelkamer en hij lag net als de rest pruttelend te slapen. Ik heb een kwartiertje bij hem gezeten en alles op het zaaltje goed geobserveerd. De voorgedrukte beterschapskaarten, het kartonnen mandje treurig fruit, een puzzelboekje en het onaangeroerde blad met ziekenhuisvoedsel.

,,Meneer eet slecht”, sprak de aardige verpleegnicht. Ik tilde de deksel van het bord en zag wat rouwrandworteltjes, kruimaardappelen en een kromgetrokken stukje draadjesvlees. Dit alles in een gestold piskleurig sausje. Naast het bord stond een zurig griesmeeltoetje.

,,Meneer heeft gelijk”, was het enige dat ik kon antwoorden. Toen ik wegging trof ik bij de lift zijn zoon, die diep zuchtte over de vervelende bezoekuren, de avondspits en zijn ontregelde gezin. Burgerlijk geneuzel dus. Het duurde hem allemaal te lang. Hij moest elke dag uit Almere komen. Daar woonde hij op Frietsaus 11.

,,Dus je bent blij als hij dood is”, opperde ik. De zoon schrok van mijn woorden. Ik niet.

Later begreep ik dat mijn vriend helemaal niet meer wakker is geworden. Hij sliep die avond vredig in. Zo stond het op de kaart. En volgens de nabestaanden was hij nu bij mama. Hoe ze dat zo zeker wisten stond er niet bij. Zo’n rouwkaart met zo’n dun grijs randje. Paar dagen later was de clichécrematie met na afloop slappe, niet te warme tempokoffie en een zompig broodje. De uitvaartleider keek steeds heel discreet op zijn horloge en precies op tijd waren we de koffiekamer uitgebonjourd. Toen ik omkeek zag ik een verse verdrietfamilie de ruimte betreden. Paar weken later sloegen de kinderen van mijn vriend elkaar de hersens in om twee oude kandelaars, een valse piano en een afdruiprek.

Veel en vaak heb ik nagedacht over het dertien in een dozijneinde van mijn vriend. Via aanleun- en bejaardenhuis naar een verpleegtehuis en dan via een hospitaal je urn in. Hoe kan je voor jezelf zo’n ziekenfondsslot voorkomen?

Word zonderling. Doe als de twee weken geleden overleden Amsterdammer Jean Voitus Van Hamme. Mijd jarenlang elk contact met je buren, hou een tamme kraai op zolder, voer piepkuikens aan de reigers en verzamel zoveel vuil in je huis dat iedereen door de stank op afstand blijft. Het einde is gruwelijk en mensonterend en toon dat aan de wereld. Toen zijn geliefde Paula stierf wilde hij haar nog even bij zich houden. Niks lijkwagen, kist en dan oven of graf. Gewoon thuis vergaan. Opgerold in een oud tapijt. Misschien heeft hij haar ook wel aan de reigers gevoerd. Dat die nieuwe mussen tussen de piepkuikens door af en toe een stukje Paula kregen. Kan misschien op haar rouwkaart: Heeft haar lichaam ter beschikking gesteld aan de reigers. Ik vind het pure poëzie.

Jean Voitus Van Hamme had gelijk. Hij wilde niet in een bejaardenhuis waar de televisie nog harder staat dan de verwarming. Had hij zijn dode lief aangegeven, dan was er een leger hulpverleners op hem afgekomen. Intakegesprek, oriëntatie-ontmoeting, aftastbijeenkomst en uiteindelijk was hij tussen de murmelende pampers geëindigd. Voorgebakken voor de uiteindelijke crematie. Kijk naar het eindelijk weer leuke Jiskefet en je snapt alles. Jean Voitus Van Hamme verdient een standbeeld als voorvechter van het individuele sterven.

Zo ga ik het ook doen. Dus als u over dertig jaar een klein, dik, kaal, oud mannetje over de Albert Cuyp met een zak piepkuikens ziet scharrelen dan moet u goed naar hem luisteren. Op een gegeven moment stapt hij op een zeepkist en schreeuwt hij tegen de hongerige vogels: Het leven is wél leuk.