Was ist das?

SWAKOPMUND. Ergens tussen Windhoek en Swakopmund stond de Desert Express stil, in afwachting van de terugkeer van de reizigers die op safari waren. Ik was een reiziger van de Desert Express, maar ik was niet mee op safari. Te lang had ik me schuilgehouden in mijn coupé. Nu liep ik om de trein heen in de hoop een deur te vinden die open was. Het scheen gevaarlijk te zijn op eigen houtje uit wandelen te gaan in deze omgeving. Zolang je je niet bewust bent van het gevaar, bestaat het niet. Maar als je er eenmaal op gewezen bent knaagt het aan je als een slecht geweten.

Ik was al één keer om de trein heen gelopen. Ik had op ramen geklopt en beschaafd geroepen, maar het personeel van de trein had zich voor mij verstopt. En hard schreeuwen wilde ik niet. Liever sterf ik dan de buitenwereld te tonen dat ik in paniek ben. Toen ik voor de tweede keer de wagon passeerde waarin de bar genaamd Spitzkoppe Lounge (de Duitse kolonisatoren hebben hun sporen achtergelaten) zich bevond, zag ik een man die mij ook leek te zien. De barman. Hij opende de bevoorradingsdeur van de bar en trok mij zijn trein binnen.

Verbaasd om mij te zien was hij niet. ,,Wat wil je drinken?'' vroeg hij.

,,Wat water'', zei ik.

Hij zette een glas voor me neer en vroeg wat ik in Namibië deed.

,,Ik doe onderzoek voor mijn boek.''

In de Spitzkoppe Lounge zat verder alleen een blanke cowboy, organisator van safaritochten, die Afrikaans praatte met de zwarte machinist.

,,Mag ik je onze coupés laten zien?'' vroeg de barman toen ik mijn glas water had opgedronken.

Ik vond dat een vreemde vraag, want ik had al een paar uur in een coupé gezeten. Sterker nog, die coupé die had ik voor tamelijk veel geld gehuurd. Maar ik was niet in de positie de barman iets te weigeren, daarom zei ik: ,,Graag.''

Hij pakte een sleutelbos en liep met me mee naar de wagon waar zich ook mijn eigen coupé bevond. Hij opende een coupé waar niemand bivakkeerde en zei met de trots van een doorgewinterde verkoper: ,,Kijk.''

,,Ik heb er precies zo een'', antwoordde ik, en ik liet hem de sleutel van mijn coupé zien. Bevreesd als ik was dat hij me zou aanzien voor een binnensluiper.

,,Je bent een reiziger van de Desert Express?'' Zijn stem zat tussen verbazing en wantrouwen in.

Wat had hij dan gedacht? Dat ik in de bush-bush overnachtte en bij wijze van vrijetijdsbesteding af en toe de Desert Express probeerde binnen te dringen?

,,Ja'', zei ik.

,,Waarom ben je niet mee op safari?''

Ik maakte een achteloos gebaar met mijn armen. Ik heb zoveel safari's gezien in mijn leven.

Hij glimlachte zoals je glimlacht tegen mensen die aan het verliezen zijn. Van die glimlach maakte ik gebruik om terug te keren naar mijn coupé. Het bed was inmiddels opgemaakt. Ik hees mij in een pak voor het avondeten dat werd geserveerd in de restauratiewagen genaamd Welwitschia.

Vervolgens wandelde ik met een boek naar de Spitzkop Lounge. Mijn medereizigers waren nog niet teruggekeerd van hun safari en ik nestelde mij in een hoekje.

De ondergaande zon was mooier dan de folder had beloofd. Bij gebrek aan betere klandizie stelde de barman mij een paar professionele vragen. Mijn antwoorden waren summier. Wat ik over mijn leven kwijt wilde was de behendigheid waarmee ik eraan deelnam. Maar juist die behendigheid liet me nu alweer een tijdje in de steek.

De komst van mijn medereizigers werd aangekondigd door gelach. Er was iets met de groep gebeurd tijdens het voederen van de wilde dieren. Telefoonnummers waren uitgewisseld, men kende elkaars voornaam. Eén reiziger had zich onttrokken aan het voederen. Zijn naam kende niemand.

De groep was gemêleerd, wat zwarten, blanken, vrouwen, de jongste was begin twintig, de oudste midden zeventig. Men vermaakte zich, en ik boog me dieper over het boek.

Toen maakte de barman bekend dat Welwitschia geopend was. Om me als eerste naar binnen te storten leek me ongepast. Ik wachtte af tot de anderen het restaurant hadden gevuld, terwijl ik de schijn van gemak wist te wekken in een hoekje van de Spitzkop Lounge.

Toen iedereen het restaurant had betreden, dacht ik: nu is het mijn beurt.

,,Vindt u het erg om naast deze dames te gaan zitten?'' vroeg een serveerster die een paar uur geleden nog een andere functie op deze trein had bekleed.

,,Helemaal niet'', zei ik. ,,Als de dames het ook niet bezwaarlijk vinden?''

De dames vonden het niet bezwaarlijk, maar de dames hadden weinig keus. Ik stelde mij voor met een vochtige handdruk. Hoffelijkheid gaat boven alles. En vervolgens zat ik met twee vreemden aan een romantisch gedekte tafel.

Water en eten waren bij de prijs inbegrepen, maar wijn moest je contant afrekenen. Nu reken ik graag contant af, daarom bestelde ik snel een fles witte wijn en zei tegen de dames dat ze een glaasje mochten meedrinken. Zo'n hele fles was te veel voor me. De ene dame bleek geheelonthoudster, de andere zei: ,,Één druppeltje dan.''

De stilte bleef tussen ons in hangen, ook na het druppeltje.

Op dat moment betrad een dikke man met een rood hoofd, in een witte, korte broek het restaurant. Onverbiddelijk, hoewel er nog andere plaatsen vrij waren, werd hij naar de stoel tegenover mij gedirigeerd.

De twee alleenstaanden van de Desert Express zaten nu mano a mano naast twee dames die zich duidelijk een andere voorstelling hadden gemaakt van hun avond in het Welwitschia Restaurant. De alleenstaande tegenover mij bleek uit het Beierse dorp Ammersee te komen, sprak geen woord Engels, en ook zijn Duitse conversatie beperkte zich tot het wijzen op mijn of zijn voedsel en het stellen van de vraag ,,was ist das?''

Voor de gelegenheid deed ik alsof ik geen woord Duits sprak. Uiteraard ook om in de smaak te vallen bij de dames, want ik val graag in de smaak bij de mensen. De bush-bush had mij overtuigd van de noodzaak het op een akkoordje te gooien met de medemens.

De dames bleken te werken voor een reisbureau in Johannesburg en ze maakten deze reis om hun klanten de Desert Express in de toekomst beter in de maag te kunnen splitsen.

De vrouw naast me was geboren in Manchester, woonde alweer twintig jaar in Zuid-Afrika, had vier dochters, twee paarden en een tuinman. Gescheiden was ze ook.

Af en toe werd ons gesprek onderbroken door de man uit Ammersee die hard riep ,,was ist das?'' Niemand kon hem een bevredigend antwoord geven. En toen de vrouw naast mij zei ,,ik geloof dat mijn tuinman aids heeft'', werd het tijd voor een vertrouwelijke mededeling. ,,Aids'', zei ik, ,,is de plaag van dit continent.''

Daarmee kwam aan onze conversatie een einde. De dames hadden geen zin in een toetje, ze bedankten vriendelijk voor mijn gezelschap, knikten naar de man uit Ammersee, die erg was gaan zweten, en verwijderden zich.

De volgende ochtend stond een wandeling door de Kalahariwoestijn op het programma. Ik was vastbesloten die niet te missen. Zo enthousiast was ik dat ik voor de groep uit rende.Het duin dat ik beklom kon me niet hoog genoeg zijn.

Een paar uur later kwamen wij in Swakopmund aan. De man uit Ammersee wilde mij naar mijn hotel volgen, maar ik schudde hem af. Later toen ik hem in zijn korte broek vier keer langs hetzelfde benzinestation zag paraderen, betwijfelde ik of hij ooit nog zou terugkeren naar Ammersee.

Ook in Swakopmund ben ik aan de dood ontsnapt, maar daarover een andere keer. Of misschien nooit.

Als ik niet meer aan de dood wil ontsnappen ga ik terug naar de Kalahari.

Ik heb de verleiding gevoeld. De woestijn zegt nooit nee tegen je. De woestijn eet alles.