Waar die andere Allah woont

De strikte scheiding van kerk en staat in Frankrijk is voor een belangrijk deel een mythe, laat Olivier Roy zien in zijn nieuwe boek. Hij haalt opnieuw tal van clichés onderuit. Maar hoe overtuigend is zijn eigen analyse?

Kort na de moord op Theo van Gogh sprak de Franse islamoloog Olivier Roy in deze krant zijn verbazing uit over de toon van het Nederlandse publieke debat. In een mum van tijd had multiculturele liefkozerij plaatsgemaakt voor scheldwoorden als `geitenneuker'. De Nederlandse discussie steekt volgens Roy schril af bij de diepgaande Franse debatten die al ruim twintig jaar over de islam worden gevoerd. Toch spreekt uit La laïcité face à l'islam, Roys nieuwe boek over de verenigbaarheid van de strikte Franse scheiding tussen kerk en staat en de hedendaagse islam, een diepe onvrede met de Franse discussie. Net als in zijn bekendste boek De globalisering van de islam (besproken in Boeken, 01.11.02) haalt Roy met heldere sociaal-wetenschappelijke analyses clichés over de islam onderuit. Maar de toon is scherper. Roy trekt van leer tegen de groeiende islamofobie die hij ook in Frankrijk signaleert. Al diegenen die steeds waarschuwen voor `islamo-fascisme' mogen zichzelf voor de staatsman Churchill houden, ze hebben volgens Roy meer weg van Céline.

De Franse samenleving verkeert volgens Roy in een diepe identiteitscrisis. Nu Europese eenwording en globalisering de natiestaat op losse schroeven zetten, lijkt de islam een volgende aanval op de nationale Franse identiteit. Maar die nationale identiteit is weinig meer dan een `pseudo-consensus'. Want als iets de Franse geschiedenis typeert, is het wel het conflict tussen katholieken en seculieren. Eenzelfde dissensus ontwaart Roy trouwens binnen het Europese erfgoed, dat ook in Frankrijk vaak tegenover de islam wordt geplaatst. Want hoe eenduidig is die `Europese' identiteit? Terwijl de Fransen zich het hoofd breken over de hoofddoek, is in Groot-Brittannië vooral het ritueel slachten punt van zorg – een praktijk die in Frankrijk (behalve natuurlijk bij Brigitte Bardot) nergens op verzet stuit.

Ook de Franse laïcité, de strikte interpretatie van de scheiding tussen kerk en staat die in Nederland op groeiende aanhang mag rekenen, wordt in de zoektocht naar verankering in hoge mate gemythologiseerd. Terwijl strikte seculieren de laïcité te pas en te onpas als een filosofisch tijdloos principe uit de hoge hoed toveren, herinnert Roy eraan dat de scheiding tussen kerk en staat een politiek-historisch compromis was. De Franse overheid is lang niet zo laïque als de wet op de scheiding tussen kerk en staat wil doen geloven. Hoewel het de overheid verboden is zich te bemoeien met interne religieuze aangelegenheden, schroomde de minister van Binnenlandse Zaken niet islamitische woordvoerders samen te brengen in een moslimraad.

Theologische wending

Net als in Nederland is er in het Franse debat steeds meer aandacht voor islamitische dogmatiek. Roy wijst terecht op enkele kwalijke gevolgen van deze theologische wending. Zo verdwijnt niet alleen de sociale kant van multiculturele vraagstukken naar de achtergrond, maar wordt de islam ook vaak ten onrechte gebruikt als verklaring voor onwenselijk gedrag. Machismo komt ook onder jonge Latino's en zwarten in Amerikaanse binnensteden voor, maar als het om islamitische jongens in de banlieue gaat, ligt de oorzaak in vrouwonvriendelijke passages in de koran. Als er werkelijk een causaal verband tussen dogma en daad was, zou het percentage overspel onder christenen lang niet zo hoog zijn, zegt Roy.

Maar ook Roy lijkt het debat niet helemaal te kunnen ontislamiseren. Nu veel critici van de islam zich – net als hun fundamentalistische islamitische opponenten – als letterknechten van de koran hebben ontpopt, benadrukt Roy nogmaals dat de islamitische tradities zich niet in enkele oneliners laten vatten en dat de scheiding tussen kerk en staat wel degelijk mogelijk is in de islamitische theologie. Gematigde interpretaties, die onderschreven worden door moefti's en imams van Parijs tot Kairo, tolereren een seculiere politieke orde zolang deze niet expliciet tegen de islam gericht is. En theologische hervormers als Mohammed Arkoun vinden de scheiding tussen religie en staat juist dringend noodzakelijk omdat daarmee misbruik van religie door de wereldlijke macht wordt tegengegaan.

Toch hamert Roy erop dat de acceptatie van het politieke primaat van de République uiteindelijk weinig van doen heeft met theologische hervormingen. Theologen geven hoogstens rechtvaardigingen voor beslissingen die eerder – op politiek-pragmatische gronden – genomen zijn. Net zoals het Vaticaan de Franse staat in 1890 erkende omdat het inzag dat de politieke realiteit geen andere mogelijkheid openliet, hebben veel prominente moslims de laïcité in de praktijk allang geaccepteerd.

Dat geldt ook voor Tariq Ramadan, de in Frankrijk zo vaak als `wolf in schaapskleren' afgeschilderde islamitische intellectueel. Ramadan riep vorig jaar op tot een moratorium op lijfstraffen, maar weigerde de islamitische wetten ongeldig te verklaren. Roy maakt korte metten met Ramadans criticasters. Het moratorium erkent religie en politiek als twee gescheiden sferen en tracht aan beide recht te doen. Een compromis waarmee Ramadan veel meer laïque blijkt dan zijn tegenstanders, die door hun bemoeienis met de geldigheid van islamitische dogma's, ingrijpen in de religieuze sfeer.

Roy is vooral sterk in het blootleggen van de dubbele maatstaf waarmee de islam tegemoet wordt getreden. Zwakker is Roys analyse van de staatsvormen waarbinnen religie een plaats kan krijgen. Een `ware kritische geest denkt de islam in hetzelfde kader als andere religies', luidt de slotpassage in het boek. Maar Roy blijft vasthouden aan het traditionele Franse denken dat religie vooral als een probleem typeert. Het idee dat godsdienst een pluriforme samenleving ook kan verrijken, pakt hij nergens op.

Hiermee is niet gezegd dat Roy de problemen van het Franse staatsmodel over het hoofd ziet. Hij moet weinig hebben van een repressief overheidsbeleid dat grensoverschrijdende loyaliteiten zoals religie de kop in wil drukken. Het verlangen religieuze vrijheden aan banden te leggen is niet alleen strijdig met de mensenrechten, maar vervreemdt ook de gematigde moslims die in sterk laïcistische overheidscampagnes als het grote kwaad worden neergezet. Roys pleidooi voor vergaande tolerantie van religieuze rechten doet sterk Amerikaans aan. Rationalistische vrijdenkers, bisschoppen en Tariq Ramadan – allemaal mogen ze hun eschatologie dromen en toekomstvisies propageren, mits ze zich aan politieke spelregels houden en niet oproepen tot geweld.

Veel verder strekt Roys flirt met het Amerikaanse politieke denken niet. Het Franse model mag dan `ziekelijk' zijn, het Angelsaksische model – dat de staat slechts als een sociaal contract tussen individuen presenteert – getuigt van een grote `naïviteit'. Roy ondersteunt een stevige integratiepolitiek en het streven naar een nationale islam.

Paternalisme

Maar in hoeverre krijgen fundamentalistische interpretaties in deze Franse islam een plek? De overheid moet ervoor waken het fundamentalisme te isoleren. Ook fundamentalistische woordvoerders mogen van Roy bij de overheid hun zegje doen. Maar het moet gezegd dat Roy in een interview met Trouw (24 januari 2005) een veel paternalistischer geluid liet horen. Daarin riep hij op tot het marginaliseren van het fundamentalisme. Om het monopolie van fundamentalistische interpretaties op met name internet te doorbreken, moeten wetenschappers en religieuze leiders gematigde varianten bij moslims onder de aandacht brengen. Roy bleef ook in dit gesprek laïque genoeg met zijn waarschuwing dat het niet aan de overheid is om zo'n tegenoffensief te ondernemen. Maar betekent dit ook dat de overheid dergelijke initiatieven niet financieel of op andere manieren mag ondersteunen? De vestiging van een meer pluriforme islam verhoudt zich moeizamer tot de laïcité dan Roy ons wil doen geloven. Waar Roy elders zo fraai ontmythologiseert, blijft de mythe van staatsneutraliteit hier kaarsrecht overeind.

Frankrijk en Nederland houden elkaar de laatste jaren scherp in het vizier. Zoals de moord op Theo van Gogh bij veel Fransen symbool staat voor het failliet van het multiculturalisme, zo zouden sommige Nederlanders eerder nog vandaag dan morgen de laïcité in de grondwet willen opnemen. Roy slaagt erin weer haarfijn de uitwassen van het multiculturele denken – het essentialisme, de reductie van gedragingen tot religieuze teksten of imaginaire culturen – aan het licht te brengen. Maar zijn politieke analyse is niet sterk genoeg om de conclusie te kunnen trekken dat het Nederlandse multiculturalisme terecht failliet is verklaard. Des te meer omdat ook het Franse model volgens Roy op vele punten tekortschiet.

De vele herhalingen in Laïcité face à l'islam wekken de indruk dat dit boek met haast geschreven is. Dat neemt niet weg dat Roy ook met dit nieuwste werk een impuls kan geven, ook aan het Nederlandse debat. Dat dit boek over Frankrijk gaat, doet daar niets aan af. De Fransen mogen zichzelf van oudsher graag als een uitzondering of eenling in Europa beschouwen, hun strubbelingen, stokpaardjes en angsten klinken ook de Nederlandse lezer vertrouwd in de oren.

Olivier Roy: La Laïcité face à l'islam. Editions Stock, 172 blz. €18,50