Steeds meer is altijd beter

Eén ding moet je Amélie Nothomb nageven: ze doet niets half. Liefhebben, lezen, eten (of niet eten) en zelfs water drinken gebeurt bij haar met ongekende overgave. Dat is in ieder geval het beeld dat Nothomb graag van zichzelf geeft. In haar nieuwste boek, De hongerheldin, schetst de Belgische schrijfster een zelfportret waaruit ze naar voren komt als mateloos – op het perverse af.

Zo dronk ze als kind graag drie liter water achter elkaar, of at ze ananassen tot haar mond ervan bloedde. Ze zet thee die zo sterk is dat het anderen doet kokhalzen. Nothomb suggereert dat haar grenzeloosheid niet alleen voedsel geldt, maar het hele leven: `Onder honger versta ik dat immense gemis van je hele wezen, dat nijpende gebrek, dat verlangen dat niet zozeer uitgaat naar een utopische bevrediging maar hooguit naar de werkelijkheid: ik zou dolgraag willen dat er iets was in plaats van niets'.

Maar hoeveel theorieën Nothomb ook ontvouwt over de aard van haar geestelijke en lichamelijke honger, zelden wordt het meer dan oppervlakkig gekoketteer. Nothomb demonstreert, net als wanneer ze op de Franse televisie verschijnt in merkwaardige heksen-outfits, vooral dat ze anders is. Tegenwoordig schuilt Nothombs uitzonderlijkheid vooral in haar schrijverschap. Ook dat doet ze namelijk niet half. Ze publiceert ieder jaar een roman, en heeft er naar eigen zeggen nog tientallen in de la liggen. Als je Nothomb moet geloven doet kwantiteit niet af aan kwaliteit. Zelfs niet in de kunst: `in een bepaald waardesysteem leidt meer tot beter: grote minnaars weten dat, gedreven kunstenaars eveneens. Het opperste raffinement gaat hand in hand met overvloed'.

Toch gaat dat voor haar eigen werk niet op. Het grootste deel van haar boeken wordt gekarakteriseerd door een mix van literaire clichés, vette symboliek en psychologie van de koude grond. Ze gaan altijd over transgressie, over moord bijvoorbeeld, maar ze worden zelf nergens grenzeloos. Daarmee doen die boeken denken aan Nothomb zelf, die als peuter wel ontsnapte uit haar schooltje, maar daarna slechts één ding wist te verzinnen: gauw naar huis gaan.

In De hongerheldin keert Nothomb gelukkig terug naar het genre dat haar het minst slecht afgaat: de autobiografie. Eerder schreef ze al over de jaren dat ze in Japan werkte voor een groot bedrijf, nu gaat het vooral over haar kinderjaren. Als dochter van een diplomaat moest ze iedere paar jaar verhuizen, en vrij terloops geeft ze steeds een karakteristiek van het land waar ze nu weer verzeild is. Bangladesh is een hel van armoede, New York een feest van Bourbon en Broadway, maar geen enkele plek kan tippen aan het land van haar vroegste jeugd: Japan. Sinds ze daar als vierjarige weg moest, heeft Nothomb het gevoel gehouden dat ze uit het paradijs is getild. Ze voelt zich als de meisjes-godin in de tempel die ze eens bezoekt met haar ouders. Eens in de twaalf jaar wordt daar een baby uitverkozen en in de tempel opgesloten. Men plant haar op een kussen, aanbidt haar en mest haar vet, maar leert haar niet lopen. Als het meisje eenmaal twaalf is, wordt ze zonder pardon in het bos neergezet en aan haar lot overgelaten.

Omdat Amélie het einde van de kindertijd ziet als zo'n plotselinge verbanning, besluit ze op haar twaalfde om de tijd stil te zetten en niet meer te eten. Het zijn mooie hoofdstukken, waarin Nothomb beschijft hoe zij haar groeiende meisjeslichaam `straft' en zodanig uithongert dat er van vrouwelijkheid niets meer te bespeuren is. Na een paar jaar is ze op sterven na dood en begint haar lichaam weer te eten, buiten haar wil om. Ze is weer net als iedereen, en dat was nu juist wat ze wilde vermijden.

Haar redding is de literatuur. Amélie Nothomb gaat schrijven, en inmiddels is duidelijk geworden dat ze dat doet met dezelfde mateloosheid als waarmee ze voorheen at, dronk of vastte.

Amélie Nothomb: De hongerheldin. Manteau/ De Bezige Bij, 206 blz. €16,95