Stadsman in de datsja

Dit is wat dichters het liefste doen, volgens de verhalen althans: op hun rug in het gras liggen, handen in de nek, en naar boven kijken, naar de lucht en de voorbijdrijvende wolken. Ongeveer zo dus: `We liggen tussen anemoontjes,/ kamille, wilde balsemien,/ de armen losjes achterover,/ de hemel boven ons te zien.' De dichter en zijn geliefde kijken omhoog, en om zich heen. Ze zien de dennen, en ze zien hoe de brandgang tussen de dennen weer helemaal is dichtgegroeid met gras. En dan kijken ze elkaar ook even in de ogen, en wisselen ze `blikken van herkenning' uit. Dat is het moment waarop er binnen de dichter iets verschuift: de dromerige geestestoestand verbreedt zich, de in zichzelf gekeerde blik ontvouwt zich, er doet zich, hoe klein en onbewust ook, even een gevoel van uittreding voor. `En zie dan, tot die schare dennnen/ behoren wij, de eeuwigheid.' Overgave, opgaan in de omgeving, even uit de tijd getreden. `Van dood, epidemie, ellende,/ zijn wij – voor eventjes – bevrijd.'

Aan het woord is de Russische dichter Boris Pasternak (1890-1960), die in de winter van 1940-1941 na een stilte van zes jaar de poëzie weer teruggevonden had. Het waren de jaren van de zuiveringen onder Stalin, sterfgevallen dichtbij en veraf, scheiding, ziekte, en allerlei andere vormen van ellende. De ellende was eind 1940 nog niet voorbij, en elders was de Tweede Wereldoorlog al uitgebroken, toen Pasternak weer opnieuw begon te dichten, en nu in een veel eenvoudiger en pretentielozer stijl dan daarvoor.

De plek waar die dichterlijke heropleving zich voordeed was Peredelkino, een klein dorpje twintig kilometer ten zuidwesten van Moskou. Pasternak woonde er vanaf 1936 met zijn tweede vrouw, Zina, en hun zoontje, in een houten datsja, in de Ulitsa Pavlenko, nummer 3, met vóór het huis een grote moestuin en erachter een groot dennenbos. Tussen het op en neer reizen naar Moskou door leidden ze in Peredelkino het leven van datsjniks. Aardappels rooien, kool planten, augurken verzorgen, onkruid wieden, hout kappen, vuurtje stoken.

Het begon Pasternak, stadsmens en stadsdichter van huis uit, steeds beter te bevallen, zeker toen hij in 1940 langere tijd zijn intrek nam in het roestbruine houten huis en tussen het buitenwerk door weer tot schrijven kwam. Het werd een reeks van elf gedichten, naar de plaats van ontstaan `Peredelkino' genoemd.

Het is geen onversneden volkstuinpoëzie en ook geen zuivere natuurlyriek, maar er waait een landelijke wind doorheen, en de geest van bevrijding. `De dichter neemt een voorbeeld aan de lijsters die het landschap vullen met gezang en daarin leven als echte artiesten zouden moeten doen; op hun rug liggend onder de bomen worden de dichter en zijn vrienden tot de dennen gerekend.' Dat schreef dichteres Anna Achmatova toen zij Pasternak in 1941 de cyclus had horen voorlezen.

Het is een verwijzing naar het gedicht waarin de dichter en zijn geliefde zich op hun rug onder de dennen even van alle ellende bevrijd voelen. Het gedicht gaat daarna over in een bevlogen, impressionistische beschrijving van hoe het licht uit de blauwe hemel zich op de bosgrond mengt met de schaduwvlekken, en hoe zich bij de dennengeur een zweem (in het echt, of in de verbeelding) voegt van wierook, en van citroen, en hoe de jonge dennenstammen, door de ondergaande zon rood beschenen, in de verte een aanloop nemen om het blauw van de hemel te bespringen. `De blik zo ver hij maar kan reiken/ en alles lijkt zo kalm en vrij.'

Hier dreigt de vervoering de overhand te krijgen – en dat gebeurt dan ook, in een nieuwe vlaag van blikverruiming. De dichter ziet door de bomen het bos al niet meer. Het wordt nog gekker: hij ziet door de bomen een zee op zich afkomen: `Ik zie door al die stammenrijen/ een zee opdoemen voor mij.' De vrije verbeelding neemt het over. De dichter ziet nu hoge golven aan komen rollen, `hoger dan de takken', en hij ziet hoe ze, beneden aangekomen, `een school garnalen' proberen op te pakken, `zo van de omgewoelde grond.' Raar, maar het staat er. Zou er misschien nog enige verwijzing naar een bestaande dennenbomenboswerkelijkheid in gelezen moeten worden? De wind die door de takken gaat roept het beeld van golven op? Lichtspikkels op lage blaadjes doen denken aan garnalen? Of is de dichter dat stadium al voorbij?

Het lijkt er wel op. Het beeld heeft de werkelijkheid verdrongen. Even later ziet hij sleepboten die de schemering door `de vaargeul' trekken. En bij het langsvaren van de schemering ruikt en ziet hij levertraan. Zo valt langzaam de nacht over dit zeebos, of moet je zeggen: over deze dennenkust. De maan wijst op het zwarte water nog wat witte schuimkoppen aan.

Het gedicht zou nu wel kunnen eindigen: nacht gevallen, het maanlicht strijkt over zee, de laatste golfjes kabbelen het bos uit. Maar in de slotregels flakkert de verbeelding nog één keer op. De golven worden weer hoger, en luider, en daar, op de donkere dennenboszee, ziet de dichter zowaar een ponton drijven, en ook nog eens met publiek erop, dat samendringt rond een aanplakbiljet op een aanplakzuil. Wat is dat nu weer? En wat zou er op dat aanplakbiljet staan? We zouden het graag willen weten. Zou het iets met de politiek, met de massa's, met Stalin, met een affiche van de leider te maken hebben, zoals vertaalster Petra Couvée in haar inleiding oppert? De spanning stijgt, maar de dichter geeft er niet aan toe. Hij ziet garnalen en sleepboten die er niet zijn, hij ruikt zijn zelfverzonnen levertraan, maar hij kan ons nu helaas niet vertellen wat daar rond het aanplakbiljet plaatsvindt. Graag hadden wij nu meegekeken, en de geheime politie indertijd vast ook, maar helaas, het beeld `vloeit samen met de horizon.' Helaas, het is `onleesbaar in zo'n ver verschiet' (vertaling Charles B. Timmer, 1982). Helaas, `uit de verte ziet men 't niet' (idem, 1958).

Pasternak nam zijn geheim in 1960 mee in het graf, op het kerkhof van Peredelkino, waar hij vanuit zijn datsja op uitkeek, op een plek die hij zelf had uitgekozen: onder drie dennenbomen.

Boris Pasternak: Peredelkino. Uit het Russisch vertaald door Petra Couvée. Uitgeverij Douane, Rotterdam (010-4952778). 48 blz. €10,–