Religie is zowel dynamiek als dynamiet

Het verhaal van Pinksteren leert ons dat het mogelijk is om met elkaar over geloof te spreken. We moeten ons laten uitdagen door `de ander' om zo onszelf beter te leren kennen, meent Bert Roebben.

Religie kan dynamiek maar ook dynamiet zijn. Ze kan mensen doen opleven maar hen ook klein houden in een ideologisch geheel van leerstellige, rituele en morele verplichtingen. Religie kan mensen van zichzelf vervreemden en hen zelfs dwingen tot mensonterende praktijken, tot moord en doodslag. Op deze `harde', confronterende wijze is religie vaak in het nieuws. Maar het hoeft niet zo te zijn.

Zondag wordt in christelijke kerken het feest van Pinksteren gevierd, volgens de traditie het feest van de neerdaling van de Heilige Geest bij alle gelovigen, gaande van de meest alledaagse christen tot en met de hoogste ambtsdragers in de kerk. De Geest is de Helper, door Christus in het vooruitzicht gesteld na zijn dood en verrijzenis, als degene die de individuele gelovige en de geloofsgemeenschap bijstaat, door hun goede woorden en daden in te fluisteren, hen te bemoedigen in moeilijke tijden en hen te bekwamen tot kritische zelfreflectie en frisse creativiteit inzake geloof.

In de verschijningsverhalen na Pasen maant Christus zijn leerlingen niet naar boven te blijven staren en bij de pakken te gaan neerzitten. Hij vraagt hun in beweging te komen en, met verantwoorde verbeeldingskracht, na te gaan hoe het heil in elke nieuwe en concrete historische context gestalte kan krijgen. En zij staan daarbij niet alleen: de Geest zal hen vergezellen. Radeloosheid maakt plaats voor hoop. Het gezegde van de cynicus dat ,,de toekomst ook niet meer is wat ze geweest is'' wordt omgezet in een taak: ,,Dat is ze nooit geweest, ook vandaag niet. Ze is altijd opnieuw te doen.''

Of beter: altijd opnieuw te ontvangen. Voor de christen is de toekomst meer dan een taak, ze is een belofte, ze overstijgt de sfeer van het mogelijke en het haalbare, van datgene wat in het hier en nu zichtbaar en voorhanden is. Een religieuze levenshouding vertrekt vanuit de onzekere zekerheid dat ,,kome wat komt''. Religie tekent verzet aan bij de simplistische illusie dat de samenleving maakbaar is en vraagt aandacht voor de complexiteit van het menselijk verlangen, voor wat nog niet af is en zich in kwetsbaarheid wil ontwikkelen tot volle wasdom.

De grote wereldreligies handelen over dit ,,leven in overgave''. Wellicht schuilt daarin een verklaring voor hun succes vandaag. Vele tijdgenoten realiseren zich immers dat in het weefsel van de moderne samenleving, in the heart of modernity, onherstelbare scheuren zitten die niet alleen met vooruitgangsgeloof en daadkracht (,,als je maar gelooft in jezelf'') te helen zijn.

Hierin schuilt natuurlijk ook het gevaar van religie. Leven in overgave en vertrouwen (faith) wordt dan misverstaan of gemanipuleerd als onderwerping (submission) en roept reacties los. De hoop wordt dan in de kiem gesmoord. Elke religie is principieel in staat om fundamentalistisch te worden en zo verraad te plegen aan zichzelf.

In het verhaal van Pinksteren, zoals opgetekend in de Handelingen van de Apostelen, komt nog een andere dimensie ter sprake: de religieuze levenshouding blijkt communiceerbaar te zijn. Ze zit niet opgesloten in de binnenkamer van het eigen gelijk, maar laat zich vertalen naar buiten. Het verhaal gaat dat de verschillende etnische en religieuze groepen die zich in de toenmalige smeltkroes van Jeruzalem bevonden – onder wie (volgens Handelingen 2) Parten, Meden, inwoners van Mesopotamië, mensen uit Egypte, Libië en Kreta – zich door de verkondiging van Jezus' leerlingen aangesproken wisten in hun eigen taal. Het was de Geest die tot ieder volk sprak in hun moerstaal. Daarmee werd de particulariteit van de eigen cultuur en herkomst maximaal gehonoreerd.

Dit wijst op de interreligieuze dynamiek van het pinksterverhaal. De schrijver van Handelingen wil duidelijk maken dat geloven communicabel gemaakt kan worden. Aan de overzijde van het binnenreligieus fundamentalisme staat dus de mogelijkheid van de interreligieuze dialoog, van de ontmoeting met andere levensperspectieven die niet onmiddellijk de mijne zijn en van de bereidheid om getuigenis af te leggen van het eigen geloofsverstaan. Het pluralisme van historische en actuele levensbeschouwingen in het Europa van 2005 kan bijdragen tot een verbreding van de eigen morele en levensbeschouwelijke visie. Men laat zich uitdagen door de `ander' en leert zo zichzelf beter kennen, als een soi-même comme un autre, aldus de Franse filosoof Paul Ricoeur.

Tenminste, als men het zo durft te zien. Deze visie op `actief pluralisme' vraagt moed en beleid. Ze komt niet vanzelf. Twee grote uitdagingen tekenen zich af, respectievelijk voor onderwijs en religieuze instituties. De school is een uitstekende plek om te leren samenleven in verscheidenheid. Intercultureel en interreligieus leren worden daarbij hoe langer hoe meer op elkaar betrokken. De Raad van Europa vraagt sinds kort expliciet aandacht voor de religieuze dimensie van opvoeding tot burgerschap. ,,Learning in the presence of the other'' is, aldus de Amerikaanse godsdienstpedagoge Mary C. Boys, de beste leerschool hiertoe. Jongeren worden uitgedaagd tot communicatie met anderen, maar vooral ook tot de herontdekking van (fragmenten van) de eigen morele en religieuze wortels.

Ook religieuze instituties staan hier voor grote uitdagingen. Zij zullen zich moeten concentreren op de kern van de zaak, op wat zij te bieden hebben aan jonge mensen in hun morele en religieuze zoekprocessen te midden van een complexe tijd. Daarbij zal de permanente herijking van geloven in actuele levenscontexten hoog op de agenda van kerkelijk beleid moeten staan. Dat geloven anno 2005 zo dom nog niet is, vraagt immers om inzichtelijkheid en argumentatie. Pinksteren is een duidelijke aansporing, in de eerste plaats voor christenen, om zich hierover met elkaar en met anderen te beraden.

Bert Roebben doceert aan de Theologische Faculteit van de Universiteit van Tilburg.