Onwetende gierigaards

Wat weten de Hollanders weinig van Amerika, klaagde John Adams in het najaar van 1780, enkele maanden na zijn aankomst in de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën, in een brief aan het Congres. `Men heeft Holland volslagen verkeerd voorgelicht. Het heeft geen idee van het aantal bewoners, de rijkdom en de natuurlijke hulpbronnen van de Verenigde Staten, en ook geen vertrouwen in het vermogen van de Amerikanen om uiteindelijk hun onafhankelijkheid te handhaven.'

Adams, de even reislustige als puriteinse founding father uit Braintree (het latere Quincy) bij Boston in Massachusetts, was naar Nederland gekomen om geld te lenen waarmee de armlastige Amerikanen hun onafhankelijkheidsstrijd tegen Groot-Brittannie zouden kunnen financieren. Aanvankelijk had hij een hoge dunk van de bevolking. Een nijver en proper soort mensen, de Hollanders, vond Adams; heel anders dan de Fransen, waar hij zonder veel spijt afscheid van had genomen. Maar nadat de leningen waar hij op had gehoopt niet snel loskwamen – vaderlandse bankiers keken de kat uit de boom, politici aarzelden met de diplomatieke erkenning van de Verenigde Staten – sloeg zijn stemming om. De Nederlandse gierigheid, gekoppeld aan een fundamenteel gebrek aan nieuwsgierigheid naar en kennis van Amerika, maakten hem depressief. In een brief aan zijn echtgenote Abigail klaagde hij over een `algemene bekrompenheid' van de bevolking, voortkomend uit een `niet-aflatend denken in centen en stuivers'. De Nederlanders beweren dat dit de basis is voor het succes van iedere handelsman, schreef hij Abigail. Ze hebben volgens hem ongetwijfeld gelijk, `maar ik hoop dat mijn zoons zich er niet door zullen laten leiden.' Later, toen de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën toch besloot tot de erkenning van de Verenigde Staten (april 1782) over te gaan en er handelsverdragen tussen beide naties waren getekend, oordeelde hij weer wat milder over de bevolking van zijn gastland.

De ster van Adams is de afgelopen jaren fors gestegen. De tweede president van Amerika was weliswaar als politicus weinig succesvol – hij werd na een termijn uit het Witte Huis gewipt door Thomas Jefferson – maar als mens was er weinig op hem aan te merken. Hij was gekant tegen de slavernij, gelukkig getrouwd met een intelligente vrouw, onkreukbaar en recht door zee. Juist die menselijke eigenschappen kregen ruim baan in de populaire biografie die David McCullough in 2001 aan hem wijdde en die maandenlang op de bestsellerslijsten stond.

Aan Adams en Nederland is nu een charmant boek gewijd, met essays van oud-hoogleraar Amerikanistiek Jan Willem Schulte Nordholt, schrijfster Hella Haasse en journalist Willebrord Nieuwenhuis. De laatste kreeg van het John Adams Instituut in Amsterdam de opdracht op zoek te gaan naar `sporen en betekenis van Adams in Nederland anno 2005'. De sporen zijn er nog wel, de betekenis is blijkbaar een stuk lastiger te bepalen. Nieuwenhuis besteedt er in elk geval nauwelijks aandacht aan.

Ik denk dat een gereïncarneerde Adams zich zou verbazen over de secularisering van de Nederlandse maatschappij. De politieke besluitvorming zou hij nog even ondoorzichtig vinden als in de achttiende eeuw; het gebrek aan daadkracht van de uitvoerende macht – de afwezigheid van politieke leiders – zou hem net als toen zorgen baren. Hij zou zich ongetwijfeld verheugen op het voortbestaan van de cafe-cultuur, met zijn talloze kopjes koffie en oeverloze stamtafelgesprekken. De coffeeshops zou hij links laten liggen. Met de wietteelt wordt het moeilijker. Zou hij deze verfoeien of juist waarderen als voorbeeld van geslaagd ondernemerschap? Ik vermoed het laatste.

Jan Willem Schulte Nordholt, Hella S. Haasse, Willebrord Nieuwenhuis: John Adams in Holland 1780 - 2005. John Adams Instituut / Cossee, 127 blz. €14,90