Oezbeekse Fergana-dal is een tijdbom

In Andizjon, in het oosten van de dictatuur Oezbekistan, is een volksopstand uitgebroken. Aanleiding is een proces tegen lokale zakenlieden. Maar de oorzaak ligt dieper.

Andizjon is normaliter een slaperig plaatsje, waar de plaatselijke middenstanders gezeten op een voor de deur gezette leunstoel de klandizie afwacht en tegelijkertijd het straatleven in de gaten houdt, met een bazaar in het centrum en een doodstil vliegveld, waar één politieman met pet de lege hal doorsloft en de vreemdeling naar zijn paspoort vraagt, en informeert wat hij is komen doen, en waar de reis heen gaat. Een slaperig plaatsje waar nooit iemand komt.

Een slaperig plaatsje in een dal vol problemen. Andizjon ligt in het oosten van het Fergana-dal. Dat dal is het enige vruchtbare gebied in een wijde omtrek van woestijn en torenhoge bergen. Een dal met een grote geschiedenis, want het lag aan de Zijderoute: Osj, aan de zuidoostelijke rand van het dal, even over de grens met Kirgizië, is drieduizend jaar oud. Andizjon, Fergana, Kokand – het zijn allemaal steden aan die Zijderoute, oude vorstendommetjes met een oude cultuur.

Maar de jongste geschiedenis is al enkele decennia beduidend minder florissant. In de Sovjet-tijd werden in dit stukje Oezbekistan alle oude landbouwculturen met de ijver die Sovjet-planners kenmerkte, opgeruimd om plaats te maken voor een buitengewoon intensieve vorm van katoenteelt. Het gebied werd massaal geïrrigeerd, hetgeen ten koste ging van de waterstand in de Syr-Darja, een van de twee grote rivieren richting Aralmeer – het meer dat vrijwel is verdwenen. Pesticiden vergiftigden het grondwater en de lucht. Nu, decennia later, is het Fergana-dal een toonbeeld van misère: de grond, het water en de lucht zijn vergiftigd, na de ineenstorting van de Sovjet-Unie zijn de fabrieken stil komen te liggen. Wie in Osj de heuvel naast de stad beklimt ziet in de verte de vijfduizend meter hoge toppen van het Tien Shan-gebergte, maar de stad ziet hij niet: die ligt onder een bruine deken.

Fergana is een combinatie van sociale en economische problemen, milieuverontreiniging, werkloosheid, overbevolking en hopeloosheid. Er gebeurt – letterlijk – niets: de mannen wat rond op straat, roken, praten, geven elkaar slappe handjes. Nog begin deze maand, op 3 mei, klaagde Sjermat Noermatov, de gouverneur van de regio, op een regionale conferentie bitter over het vertrek van arbeiders naar Tasjkent, naar Rusland, naar Kazachstan, klaagde ook over landbouwplannen die niet worden verwezenlijkt, het gebrek aan buitenlandse investeringen, de mijnsector is in crisis, de blikfabriek is in crisis, de chemische industrie is in crisis, de lonen worden niet meer betaald en de consumenten betalen daarom ook hun stroom- en andere rekeningen niet meer.

Politiek is het dal een tijdbom, een kruitvat: ooit, vroeg of laat, moet er een explosie komen. Daar komt bij dat de inwoners van het dal een tikje vromer zijn dan de rest van de Oezbeken, en in het met ijzeren vuist geregeerde Oezbekistan is dat verdacht. Vooral sinds 9/11, de aanslagen op New York en Washington in 2001, is de repressie toegenomen. Het regime van president Islam Karimov heeft sindsdien – vooral in het Fergana-dal, naar schatting zesduizend vooral jonge islamieten opgepakt en beschuldigd lid van de fundamentalistische organisatie Hizb ut-Tahrir te zijn, extremisten, terroristen. Ze werden veroordeeld tot straffen tot twintig jaar en opgesloten in gevangenissen in onherbergzame streken als Karakalpakstan, in de noordelijke woestijn. Bekentenissen worden met foltering verkregen: regelmatig worden in Islam Karimovs gevangenissen mensen doodgemarteld. Keer op keer meldt het regime die praktijk te staken, keer op keer worden bij de familie van gevangenen dichtgelaste doodkisten bezorgd die na opening zwaar verminkte lijken blijken te bevatten.

Hizb ut-Tahrir is geen terroristische organisatie. Het is een fundamentalistische organisatie, die een wereldkalifaat voorstaat, en afschaffing van grenzen en van seculiere leiders. Maar de organisatie is mordicus tegen geweld, en nooit is enig bewijs geleverd voor geweld dat door Hizb ut-Tahrir is gepleegd. Dat geldt niet voor een andere fundamentalistische organisatie, de Islamitische Beweging van Oezbekistan (IMU), een organisatie met banden met het vroegere Taliban-bewind in Afghanistan. De IMU heeft in het verleden een aantal bloedige aanslagen gepleegd – maar Islam Karimov zelf heeft herhaaldelijk gezegd dat de IMU uitgeschakeld is.

Karimov heeft de onderdrukking van de vermeende aanhang van Hizb ut-Tahrir geïntensiveerd na de aanslagen in de VS in 2001. Hij heeft ze nog verder geïntensiveerd na de recente volksopstand in het Kirgizische Osj, aan de rand van het Fergana-dal. Die opstand in Kirgizië is voor de autoritaire heersers van Centraal-Azië een waarschuwing geweest. In bijna elke redevoering waarschuwt Karimov tegen een herhaling van het Kirgizische scenario. ,,Oezbekistan heeft evolutie nodig, niet revolutie'', zo zei hij eerder deze week tegen bezoekende Zuid-Koreaanse zakenlieden. Hij laat het niet bij woorden: steeds meer vermeende aanhangers van Hizb ut-Tahrir worden opgepakt. Op 5 mei begon in Tasjkent een proces tegen acht verdachten, op 7 mei begon in Tasjkent een proces tegen zes verdachten, op diezelfde dag verschenen in Andizjon de 23 plaatselijk belangrijke zakenlieden voor de rechter. In alle gevallen is de aanklacht hetzelfde: het ondermijnen van de grondwettelijke orde, lidmaatschap van een ,,verboden religieuze, extremistische, fundamentalistische organisatie'', het bezit of het verspreiden van ,,materiaal dat de openbare orde bedreigt''. De meeste verdachten hebben schuld bekend. De meeste advocaten hebben verklaard dat die zijn losgefolterd.