Jij bent zelf ook een tram

`Mijn vader verdomde het om gelukkig te zijn'. `Ik zou lang niet zo'n leuke vrouw zijn geweest als ik veel geld had gehad'. `Hij heeft een mantel van verschrikkelijkheid om zich heen'.

Met dit soort laconieke zinnetjes, ingebed in een serie ik-verhalen die zich lieten lezen als een conférence, vertelde beeldend kunstenaar Nelleke Zandwijk vier jaar geleden het verhaal van een jaren-zeventigjeugd in de provincie. Haar debuut De dag van de jas speelde zich af in een – op zijn zachtst gezegd – eigenaardige familie (inclusief streakende moeder, schlemielige vader en geobsedeerde tweelingzuster), maar was vooral verrassend door de stem van de ikfiguur, die als een groot kind terugkeek op de uitwassen van het tijdperk van vrijheid-blijheid, David Bowie en Willempie.

De stem is gebleven in Avonturen van een uitslover, de tweede roman van de inmiddels als Volkskrant-columniste bekend geworden Zandwijk (1961). Met een beetje fantasie kunnen we de hoofdpersoon, Antonia Tinberg, zien als de oudere uitvoering van Marina Vet, die in De dag van de jas eindigt als studente aan de kunstacademie. Ook Antonia wordt door gekken omringd, terwijl er aan haarzelf meer dan een steekje los is. `Niet dat ik nu zo gek ben,' schrijft ze aan het begin van het boek, wanneer ze met een vriendin voor een paar weken naar Venlo gaat om daar een muurschildering te maken in een kledingwinkel. `Maar toch. Naai mij een oor aan en ik blijf vriendelijk lachen.' De 27-jarige Antonia is onaangepast: wereldvreemd, niet schoon op haar lichaam, vallend op de verkeerde mannen. Of, zoals ze het zelf formuleert: `Volgens sommigen speelde ik Het Spel niet. Maar wat voor spel dat was kon niemand me vertellen.'

Het type vrouw dat Zandwijk beschrijft, zullen veel lezers kennen uit het werk van Nicolien Mizee, die vorig jaar de shortlist van de Librisprijs haalde met Toen kwam moeder met een mes. Worstelde de hoofdpersoon van Mizee met haar dominante moeder en dito familie, Antonia Tinberg heeft het moeilijk als (ex-)minnares van de directeur van de kunstacademie. Ook deze Maas Loberneck – getrouwd, kinderen al het huis uit – is een vreemde snuiter; hij is geobsedeerd door Antonia, bombardeert haar met speciaal samengestelde muziekcassettes en houdt als ze samen zijn eigenaardige monologen. `Ik wil twee vrouwen,' zegt hij tegen Antonia. `Maar ik moet haar verstoten om jou te krijgen. Ik ben de vieze man. Maar ik ben vooral een tram. Jij bent ook een tram. Trams kunnen elkaar niet inhalen.' En: `Je stem is leven voor me. Ik weet dat ik een gedrocht ben dat een goed heenkomen heeft gezocht.'

Mizee meets Grunberg, zo zou je Avonturen van een uitslover kunnen karakteriseren. Maas Loberneck is een personage dat zó uit Figuranten of Fantoompijn gestapt zou kunnen zijn, terwijl de ménage à trois waarin hij Antonia betrekt Asielzoeker-achtige vormen aanneemt. Maar Zandwijk bereikt niet het niveau van haar twee geestverwanten. De wereld die ze beschrijft is té krankzinnig om overtuigend te zijn; op geen enkel moment krijg je het gevoel dat haar tragikomedie bedoeld is om je te raken. Na een bladzijde of honderd begon ik me zelfs te ergeren aan de opeenvolging van absurde gebeurtenissen en de parade van verknipte personages. Neem Semmy, de vriendin met wie Antonia aan de muurschildering in Venlo werkt. Niet alleen heeft ze last van waanvoorstellingen en plotseling opkomende scheldbuien, ook is ze een dwangmatige leugenaar die haar drang tot zelfverminking probeert te maskeren met gedetailleerde verhalen over ontvoeringen door aliens.

Veel meer dan Zandwijks debuutroman is Avonturen van een uitslover een literaire freak show waarin het verhaal nauwelijks meetelt. De rode draad van het boek is Antonia's relatie met Maas, waaraan ze vergeefs probeert te ontsnappen door met Semmy mee te gaan naar Venlo; het terugkerend motief is het Andersen-sprookje `De sneeuwkoningin', omdat Antonia `gevangen [zit] in een paleis van ijs' en op zoek is naar iemand die haar kan ontdooien. Maar als de personages je niet aanspreken, ben je niet meer geïnteresseerd in hun avonturen, en laten de slimme literaire verwijzingen je koud. Wat overblijft, is een groot aantal grappige, goed geformuleerde zinnen – want schrijven kán Zandwijk – en een handvol geestige scènes. Hoogtepunten zijn een bezoek aan een Bhagwan-feest (Zandwijks tweede roman speelt onnadrukkelijk in de jaren tachtig) en Semmy's vederlichte verslag van de keer dat ze zich door haar computerleraar tot een telefoonseksrelatie liet verleiden.

`We hebben allemaal wel een gek onder onze jas' luidt een uitspraak van Antonia die je als motto voor het werk van Zandwijk zou kunnen beschouwen. Het is een vlag waaronder heel wat geslaagde romans de wereld in zijn gestuurd, maar Avonturen van een uitslover hoort daar niet bij. Wie het leest, krijgt het gevoel toegesproken te worden door een verteller van het moeizaamste soort: de geëxalteerde vrouw die voortdurend van zichzelf zegt `Ik ben zó'n gek mens'.

Nelleke Zandwijk: Avonturen van een uitslover. Querido, 238 blz. €16,95