Het grootse werd vergeefs verricht

Is `De Stille Kracht' een kritiek op het koloniale Europa? Nee, maar Couperus voorvoelde wel de onafwendbare ondergang van het systeem van de `barbaarse veroveraars'.

Tot de talloze interpretaties waartoe De Stille kracht (1900) uitnodigt behoort de mogelijkheid de roman te lezen als een vervolg op de veertig jaar eerder verschenen Max Havelaar van Eduard Douwes Dekker alias Multatuli. We weten dat Couperus zijn verhaal heeft gesitueerd in Laboewangi, dat model stond voor Pasoeroean, een havenstadje aan de oostkust van Java en in de koloniale tijd een lucratieve standplaats voor bestuursambtenaren wegens de bloeiende suikerondernemingen. We weten ook dat Eduard Douwes Dekker na de Lebak-affaire vergeefs heeft geprobeerd resident te worden in Pasoeroean, een post die Couperus in De stille kracht gunde aan de 48-jarige Otto van Oudijck. Het is vrijwel zeker dat Couperus Multatuli's boek had gelezen (al was hij geen liefhebber).

De onkreukbare, idealistische bestuurder Van Oudijck komt, evenals Max Havelaar in Lebak, in conflict met een regent en diens moeder, de vorstelijke Raden-Ajoe Pangéran. Zij smeekt de resident, een Hollander `van geen bloed en geboorte' op wie zij neerkijkt, haar zoon niet te ontslaan als regent. Ze vernedert zich tot het uiterste om dit te bereiken, maar Van Oudijck geeft niet toe. Zijn overspelige echtgenote Leonie, een blonde nonna die Indië beter begrijpt dan de in de adat geschoolde resident, adviseert hem wél toe te geven. Hij weigert. En Couperus schrijft: `Misschien, als hij had toegegeven, was zijn leven anders geworden. Want hij, onverzettelijk, raadde niet de heilige ogenblikken, dat de mens niet moet doen zijn eigen wil, maar zich vroom moet laten gaan naar de drang der stille machten.' (p.228) Wie die stille machten negeert, zal worden gesloopt.

Douwes Dekker schreef na zijn conflict als assistent-resident met de regent en zijn daarop volgende ontslag de schandaalverwekkende Max Havelaar, een prachtig gestileerde aanklacht tegen de uitwassen van het koloniale systeem. Couperus ging met zijn volstrekt niet moralistische en a-politieke De stille kracht een forse stap verder. In deze roman draait het niet om de uitwassen van het kolonialisme, maar voorziet Couperus de ineenstorting van de koloniale heerschappij in de Gordel van Smaragd. Was Couperus dan een anti-kolonialist? Hem zo noemen zou een anachronisme zijn. De stille kracht is net zomin als Max Havelaar een uitgesproken anti-koloniale roman, het is de voorvoelde tragedie van de onvermijdelijke ondergang van een onhoudbaar systeem.

Volgens Pieter Steinz handelt De stille kracht over de ondergang van resident Otto van Oudijck, een opvatting die ik niet deel. Als bestuurder is Van Oudijck de personificatie van het ten dode opgeschreven koloniale stelsel. Maar als mens zal hij Indië niet verliezen. Hij is bereid – ongeveer zoals Lucy, de dochter van David Lury in J.M. Coetzees roman Disgrace – zich te onderwerpen aan krachten die hij onmogelijk kan begrijpen, maar die het land overnemen. Van Oudijck neemt ontslag als resident, laat zich scheiden van zijn naar Europa verlangende echtgenote, trouwt een inlandse vrouw en slijt zijn dagen in een eenvoudig huisje in de kampong, omringd door huiselijk geluk.

Van Oudijck gaat niet ten onder. Hij verliest zijn land niet. Hij hoeft zich niet, zoals Hella Haasses ik-figuur in de novelle Oeroeg en zoals zovele Indische Nederlanders daarna, in wanhoop af te vragen: `Ben ik voorgoed een vreemde geworden in het land mijner geboorte op de grond van waar ik niet verplant wil zijn?' Tegen de naar Europa terugkerende vrouw van zijn voormalige assistent-resident Eva Eldersma zegt hij dat hij niet terug zal gaan naar Holland. `Ziet u eens hier, in Indië ben ik wat geweest, daar zoû ik niets zijn. Ik ben nu ook niets meer, maar ik voel toch dat Indië mijn land is geworden. Het land heeft zich van mij meester gemaakt en ik behoor het nu toe. Aan Holland behoor ik niet meer, en niets en niemand behoort mij.' (p.231)

Hoe de Nederlandse overheersing zou eindigen kon Couperus ruim veertig jaar voor het zover was niet weten of voorspellen, maar dát de uiterlijk dociele kolonie zich diep in zijn ziel nooit overheerst had gevoeld en zich ook nooit zou verbroederen met zijn meester (p.110-111) stond voor hem vast. De verantwoordelijkheid daarvoor legde hij in de eerste plaats bij de wetten van de natuur èn bij de blanke overheersers, `die Kaninefaten', `barbaarse veroveraars', `stomme Hollanders'. (p.235)

Niet minder genadeloos dan Multatuli rekent Couperus af met koloniale gelukszoekers die voor een paar jaar naar Indië kwamen, zo snel mogelijk rijk wilden worden en dan `weg uit Indië, weg naar Europa' wilden. Als mensen met `nooit geacclimatiseerde lichamen en nooit geacclimatiseerde zielen' kwalificeert hij deze lieden bitter. Maar mild en vol mededogen is hij bij monde van Eva Eldersma jegens die enkele anderen, `geboren in Indië, nauwelijks één enkel jaar eens uit Indië weg geweest, die niets van Holland wilden horen, die aanbaden hun land van zon.' Hij doelt dan niet alleen op Van Oudijck maar in het bijzonder op de Indisch-Nederlandse familie van suikerondernemer De Luce en op Van Oudijcks halfbloed-dochter Doddy. Anders dan haar vader buigt zij al van jongs af aan voor de stille kracht. Zij laat zich waarschuwen door de `witte hadji', een verschijning die symbool staat voor die stille kracht en door de meeste Westerlingen wordt genegeerd.

Als in de laatste alinea van de roman Eva Eldersma en Otto van Oudijck afscheid nemen temidden van een menigte nieuwe hadji's (uit Mekka teruggekeerde bedevaartgangers) menen zij voor het eerst samen de stille kracht, `het Onuitzegbare', dat Indië voor hen ondoorgrondelijk heeft gemaakt, te onderkennen. Ten onrechte, voegt Couperus er onmiddellijk aan toe, want zij zagen niet `die éne grote witte, rijzen boven de menigte uit en kijken met zijn grijnslach naar de man, die hoe hij ook zijn leven geademd had in Java, zwakker was geweest dan Dát...' (p.239)

Dát, staat voor een kracht waar geen vreemdeling, hoe goedwillend, wreed of oppermachtig ook, tegen is opgewassen. Couperus heeft dat intuïtief begrepen, zijn voorganger Multatuli was daar nog niet aan toe.

Volgende week in de Leesclub Michiel Leezenberg over erotiek en oriëntalisme in `De Stille Kracht'.