Een verloren apenparadijs

In 1992 ontdekte een onderzoeksteam onder leiding van de Nederlandse Amerikaan Carel van Schaik het `orang-oetanparadijs'. Nog nooit had Van Schaik ergens zulke enorme dichtheden van deze oranjebruine mensapen aangetroffen, met twee keer zoveel dieren als in het tot dan toe bekende dichtstbevolkte gebied. De plek, een moeras met de naam Suaq Balimbing aan de westkust van Atjeh op het Indonesische eiland Sumatra, was zo heet, zompig en vergeven van de muggen dat het `een hel voor mensen' was. Bijna had Van Schaiks team daarom het gebied verlaten zonder nader onderzoek te doen.

Maar tijdens de evaluatievergadering waarin zij besloten het kamp op te breken vertelde een van de Indonesische veldassistenten dat hij had gezien hoe een orang-oetan met een op maat gemaakt stokje de voedselrijke zaden uit een vrucht peuterde. Dat veranderde alles. Dit was het eerste bewijs voor gereedschapgebruik onder wilde orang-oetans. Dat was wel waargenomen bij chimpansees en bonobo's, maar nog nooit bij de enige Aziatische mensaap, de orang-oetan. Van Schaik besloot in Suaq een permanent observatiestation in te richten.

De primatoloog werkzaam als biologisch antropoloog aan de Duke University in North Carolina beschrijft zijn ervaringen met orang-oetans in Indonesië in Among orangutans. In combinatie met de foto's van Perry van Duynhoven met wie Van Schaik jarenlang optrok ontstaat een even intrigerend als tragisch verhaal over het onbekende leven van de rode mensaap. Door de burgeroorlog in Atjeh heeft de onderzoeker de laatste jaren geen toegang meer tot zijn orang-oetan paradijs.

Nog net op tijd heeft hij echter de orang-oetanparadox kunnen oplossen. In dierentuinen ontpoppen orangs zich dikwijls als ware ontsnappingskunstenaars, waarbij zij zonder schroom gereedschappen gebruiken. In het wild was dat nog nooit gezien. Maar de populatie in Suaq opende Van Schaik de ogen. Na een aantal jaren van intensieve observatie organiseerde hij een legendarische bijeenkomst van orang-oetanonderzoekers waarbij zij al hun ervaringen op een rij zetten. De conclusie was dat orang-oetans vooral in dichte populaties gereedschappen gebruiken, en dat hierbij sprake is van een cultuur, die verschilt van gebied tot gebied. De waarnemingen zijn vermoedelijk nog maar het topje van de ijsberg.

Maar het onderzoek in cultuurrijke Suaq ligt nu stil. In september 1999 werd een zeer geliefde naaste medewerker van Van Schaik, de Atjeher Yus, vermoord door rebellen. Kort daarna volgde een haastige ontruiming van het kamp in Suaq vanwege de toenemende dreiging. Niet lang daarna liet het regeringsleger het onderzoeksstation tot de grond toe afbranden omdat zij vermoedde dat het diende als schuilplaats voor rebellen. Sindsdien zijn weinigen nog in het orang-oetanparadijs geweest. Slechts één lokale assistent van Van Schaik heeft zich nog af en toe in het gebied gewaagd. Hij constateerde dat ook de illegale houtvesters, die het leefgebied van mensapen bedreigden, waren verdwenen. `Er is nog wat hoop dat veel van onze rode vrienden nog in leven zijn', schrijft Van Schaik.

Carel van Schaik: Among Orangutans. Red Apes and the Rise of Human Culture. Harvard University Press, 272 blz. €28,76