`Dutchbat zond lokale monteur weg van basis'

De personeelsfunctionaris van Dutchbat heeft in juli 1995 tegen een lokale elektricien, die voor de Nederlandse VN-eenheid in de moslimenclave Srebrenica werkte, gezegd dat hij niet kon rekenen op de bescherming van de Nederlanders en de VN-basis moest verlaten.

Dat bleek gisteren tijdens het getuigenverhoor voor de rechtbank in Den Haag. ,,Iedereen moet weg'', zei personeelsfunctionaris B.J. Oosterveen tegen de moslim Rizo Mustafic. De elektricien is een van de naar schatting 7.500 moslims die na de verovering van Srebrenica door de Serviërs zijn vermoord.

De nabestaanden van Mustafic verwijten de Nederlandse staat na de val van de moslimenclave niets te hebben ondernomen om de moslimvluchtelingen in veiligheid te brengen. Ze onderzoeken de mogelijkheden om de staat aansprakelijk te stellen voor de materiële en immateriële schade. Mustafic werkte voor Dutchbat, maar had geen contract van de VN. Hij werd betaald door Opstina, het lokale bestuur dat met Dutchbat afspraken had gemaakt over eenvoudige werkzaamheden.

Oosterveen is de eerste van in totaal zeven getuigen. De komende weken zullen onder meer voormalig minister van Defensie Joris Voorhoeve, Dutchbat-commandant Thom Karremans, voormalig lachtmachtbevelhebber Ad van Baal en generaal-majoor Cees Nicolaï worden gehoord. Het getuigenverhoor is een middel om meer duidelijkheid te krijgen of een civiele procedure een kans van slagen heeft.

In 2003 bepaalde de Haagse rechtbank dat de getuigen niet gehoord hoeven te worden omdat in een zogenoemde bodemprocedure moet worden uitgemaakt of de staat wel aansprakelijk kan worden gesteld. In hoger beroep bepaalde de rechter dat de getuigen wel gehoord mogen worden omdat dan al kan blijken of de staat aansprakelijk gesteld kan worden.

Volgens landsadvocaat G. Houtzagers kan de Staat der Nederlanden niet aansprakelijk worden gesteld omdat Dutchbat deel uitmaakte van Unprofor. Het bevel was overgedragen aan de Verenigde Naties, en die zijn aansprakelijk voor het optreden van de Nederlandse militairen. De VN lieten in november 2002 al weten de aansprakelijkheid niet te erkennen.