De kabel maakt alles plat

Miljoenen jonge en geschoolde Indiërs en Chinezen staan te trappelen om mee te doen in de mondiale diensteneconomie. En via de glasvezelkabel kan het. We leven weer in een platte wereld, waarin gretige individuen wereldwijd samenwerken en concurreren. Maar wat moeten we met Europa?

Als je een McDrive binnenrijdt en je drukt op een knop dan hoor je een metalen stem van iemand die een meter of twintig verderop zit in zo'n McDonald's blouse en met een head-set over de McDonald's pet. Althans, dat denk je – en zo is het ook.

Maar niet altijd. Want soms zit, althans in Amerika, de metalen stem op enkele vlieguren van je vandaan. Een experiment leert dat dat efficiënter is en dat er dan minder fouten worden gemaakt.

Op een al wat grotere schaal werken Amerikaanse radiologen op deze manier. Ze maken een scan en ergens in India kijkt een getraind radiologen-oog mee en geeft zijn (meestal nog zijn) diagnose of second opinion.

Op een nog grotere schaal gebeurt zoiets met belastingaangiften in de Verenigde Staten. Je gaat naar je belastingconsulent met alle gegevens en je denkt dat hij ermee aan de slag gaat. In een half miljoen gevallen ging dat dit voorjaar echter al heel anders: de gegevens uit de schoenendoos gingen onder een scanner en diezelfde nacht vulde iemand in India het elektronische formulier in. Er zijn in Bangalore inmiddels experts voor de belasting-bijzonderheden van alle grote deelstaten in de Verenigde Staten. Ze zijn jong, slim, toegewijd, snel en goedkoop. Op een nog veel grotere schaal gebeurt dit met call centers, met eenvoudige tekstinvoer en recht-toe-recht-aan boekhouden in Excel.

De wereld is plat, signaleert journalist van The New York Times en driemalig winnaar van de Pulitzer prijs Thomas Friedman aan de hand van zulke en vergelijkbare voorbeelden in The World is Flat, zijn meeslepende korte geschiedenis van de geglobaliseerde wereld in de 21ste eeuw. Een platte wereld in vele opzichten: iedereen kan met iedereen in contact komen, kan in korte tijd veel te weten komen, kan zich groeperen, hergroeperen, actie ondernemen.

Alleen al in India is een half miljard mensen jonger dan vijfentwintig jaar, twintig procent ervan zou je tot een soort middenklasse kunnen rekenen. Middenklasse dan niet meteen gedefinieerd volgens definities van de Oeso maar als jongelui die ervan overtuigd zijn dat je het met hard leren en hard werken verder kunt brengen dan je ouders. Een potentieel dat dus zo groot is als de bevolking van heel Frankrijk, Engeland en Duitsland bij elkaar.

En dat is dan alleen maar India. In China is iets dergelijks aan de gang. Middelbare scholieren verdringen zich er om exacte vakken te studeren en universiteiten kunnen de lat almaar hoger leggen: aanwas genoeg. Microsoft moest onlangs vaststellen dat van hun drie onderzoekscentra in de wereld – Engeland, Amerika, China – dat van Peking het beste was geworden. Dat is meer dan zomaar een constatering. Amper tien jaar geleden zou je bij de vraag of je beter met matig talent in Groningen of met groot talent in Peking geboren kon worden vermoedelijk nog beantwoorden zoals in de daaraan voorafgaande honderd jaar: met matig talent in Groningen. Nu niet meer.

Het gaat hier om ontwikkelingen die op papier net tien jaar oud zijn, maar in de praktijk amper vijf jaar. In technische zin is het een nevenproduct van de internethype, die in korte tijd de wereld heeft volgelegd met glasvezelkabels en de ruimte heeft volgehangen met communicatiesatellieten. De hype ging over, maar de kabels bleven. De onwaarschijnlijke vooruitgang van switch-capaciteit tussen digitale systemen doet inmiddels de rest.

Waarvan zijn wij eigenlijk getuige? Wat gebeurt hier?

Een revolutie – dat is zeker. Maar wat voor één en waar leidt die toe?

De grote globalisering van de laatste tweehonderd jaar bracht sommige mogendheden tot aanzien en macht en stimuleerde vervolgens de ontwikkeling van grote multinationale ondernemingen. De industriële revolutie maakte de wereld kleiner, en er ontwikkelde zich een echte wereldeconomie. Staatsinstellingen waren hierin machtig en hiërarchisch, net als grote ondernemingen. De wereld werd kleiner, maar afstand bleef tellen, zowel geografisch als organisatorisch.

Daaraan komt nu een eind. Het zijn individuen die nu overal en met iedereen kunnen samenwerken of concurreren. Gezag van bovenaf verbrokkelt. Het gezag van bovenaf – de politiek – heeft dat misschien een aantal jaren geleden in de hand gewerkt door achter modieuze slogans van privatisering en klantdenken aan te hollen, maar inmiddels is zij door de gebeurtenissen zelf ingehaald en een speelbal geworden van luimen en humeuren. Legitimatie en leiderschap lijden gelijkelijk onder de empowerment van het individu. Sommigen spreken van een regelrechte crisis van de elite.

De ommekeer in Azië is natuurlijk al langer aan de gang dan het internet. Al in de jaren tachtig had Deng in China het kapitalisme uitgeroepen tot het geschikte wapen voor China onder het motto: de kleur van de kat doet er niet toe, als ze maar muizen vangt. In India besloot de regering onder druk van minister van Financiën Manmohan Singh al in 1991 om afscheid te nemen van het socialisme met zijn eindeloos trage en behoedzame Hindu-groeivoet van ongeveer drie procent. Handelsbelemmeringen werden afgeschaft, grenzen gingen open. In tien jaar tijds maakte het land een ommezwaai van rustig zelfvertrouwen naar tomeloze ambitie. De economische groei ligt nu op zeven tot acht procent per jaar. Alsof Singh destijds het plug-and-play tijdperk voorzag.

De recente explosie van mondiaal dienstenverkeer kan hele samenlevingen uit hun voegen tillen. Als grenzen slechts poreuze bronnen van inefficiency en verspilling vormen, die permanent kunnen worden ondermijnd, dan tornt dat ook aan vertrouwd houvast. Grenzen hadden eeuwenlang een functie, niet alleen omdat ze binnen en buiten onderscheidden. Ze boden politieke en sociale geborgenheid, veiligheid en een vertrouwd speelveld om belangentegenstellingen uit te vechten en te regelen. Maar die grenzen zijn eerst heel geleidelijk poreuzer geworden en nu in duizelingwekkend tempo aan het verdwijnen, fysiek misschien niet maar elektronisch en feitelijk wel. En het is vooral deze tempoversnelling van de laatste vijf jaar die doet denken aan een revolutie.

De westerse wereld ondergaat het als een soort nieuwe ziekte, genaamd multiple identity disorder. Politici, economen en publiek in het Westen volgen twee tegengestelde neigingen. De ene groep vraagt zich af wat je ertegen kunt doen, de andere wat je ermee kunt doen. In Frankrijk wil het publiek op het ogenblik geen Bolkenstein-richtlijn en geen import van Chinees textiel – twee symbolen van een grenzeloze wereld. In Duitsland komt het publiek niet veel verder dan de verontwaardigde constatering dat het een schande is en de schuld van het kapitaal. In Amerika daarentegen overheerst de neiging deze platte wereld eerder als kans dan als bedreiging te zien. Dat is een kwestie van collectieve psychologie, want in Frankrijk en Duitsland heb je even slimme economen als in Amerika.

Ook reizend commentator Thomas Friedman kiest voor vrijhandel, voor het aanhaken aan de revolutie in plaats van voor de schuilkelders. Maar het is geen onbekommerde keuze. Want in Amerika is een stille crisis aan de gang, dat wil zeggen een geleidelijke erosie van de wetenschappelijke en technische kennis van het land. Het aantal bèta-studenten loopt er al jaren terug, althans in vergelijking met de nieuwe concurrenten. Bèta-wetenschap en techniek is in China en Zuid-Korea inmiddels voor zestig procent van alle studenten de afstudeerrichting, in Amerika is het nog steeds niet meer dan dertig procent. En dan de leeftijden: bijna de helft van alle achttienduizend wetenschappers bij de NASA is boven de vijftig, in China moeten ze grotendeels nog veertig worden.

Dat alles werd tot voor kort gecompenseerd door een brain drain van talent uit de wereld naar Amerika maar met alle verbindingen van vandaag is die urgentie zo groot niet meer. Het is namelijk een reusachtig misverstand om te denken dat in Azië slechts het eenvoudige werk wordt gedaan vanwege de lage lonen. Daar is inmiddels een collectieve gedrevenheid ontwikkeld om ook de bijzondere dingen – onderzoek, ontwikkeling en innovaties – te doen. Outsourcing doen ze inmiddels zelf: van Oost- naar West-China.

Amerika heeft daarom dringend behoefte aan een nationale klaroenstoot van urgentie: `Het vergt onze eigen versie van de New Frontier (J.F. Kennedy) en de Great Society (L.B. Johnson), aangepast aan het tijdperk van de platte wereld, het vergt een president die de natie kan oproepen om slimmer te worden', aldus Friedman. En alleen als zoiets gebeurt heeft Amerika een kans. Juist Amerika heeft een kans omdat het omstandigheden kent die uniek zijn. Het huisvest eenderde van alle universiteiten in de wereld en de meeste laboratoria. Het kent de meest dynamische markt voor risicokapitaal en heeft een reusachtige thuismarkt. De juridische bescherming van intellectueel eigendom is van hoge kwaliteit, het is eenvoudig om personeel te ontslaan en aan te nemen en er is politieke stabiliteit. Amerika heeft daarom een kans op de golf van deze omwenteling mee te surfen, mits het snel is en een toestand van nationale urgentie schept.

Friedman is geen hardvochtige kapitalist en daarnaast realiseert hij zich ook wel dat zo'n revolutie zelfs Amerika sociaal kan ontwrichten. Daarom levert hij enkele recepten voor een sociaal aanvaardbare overgang, zoals: iedereen moet zijn eigen persoonsgebonden pensioenpot krijgen, zodat het wisselen van werk gemakkelijker wordt; niet alleen de top van een bedrijf maar iedereen moet aandelenopties krijgen. En de herleving van een oud idee: een verzekering tegen inkomensverlies. Mensen die hun baan verliezen vanwege outsourcing naar het buitenland, kunnen een tijdlang een aanvulling op hun salaris krijgen als ze ergens anders voor minder loon aan de slag gaan.

De Nederlander of Europeaan die dit leest, zal zich afvragen: En wij dan? Want als zelfs de grootste, meest geavanceerde en dynamische economie van de wereld zich al zoveel zorgen moet maken over deze revolutie, wat moet dat dan niet betekenen voor het vermoeide continent? Friedman schrijft er geen letter over. Europa komt in het hele boek van meer dan vijfhonderd bladzijden slecht één keer voor, en dan met de aanduiding `verpleegtehuis'.

Een paar maanden geleden publiceerde het Centraal Planbureau de studie Verplaatsing uit Nederland; Motieven, Gevolgen en Beleid. Het is een tamelijk zorgeloos stuk want `op de lange termijn en voor Nederland als geheel is verplaatsing van bedrijfsactiviteiten als goederenproductie en programmeerwerk naar lagelonenlanden gunstig [..] specialisatie op activiteiten die onder meer een hoog kennisniveau vereisen, is het meest lonend voor een hoogontwikkelde economie als Nederland'. Niets noodklok, want aldus het CPB, `de effecten zijn gering'. Het lijkt eigenlijk gewoon zoiets als destijds het verdwijnen van de textiel- en de schoenindustrie. Er was wel wat sociale pijn, maar het land is er uiteindelijk niet slechter maar beter van geworden. Reden genoeg dus voor tevredenheid en een goede nachtrust.

Wat een contrast! Friedman ziet een revolutie en het CPB ziet voornamelijk een kwestie van lage- versus hogelonenlanden. Alsof wij niet alleen slimmer zijn, maar dat ook wel zullen blijven en alsof Aziaten handjes blijven leveren. Voor Friedman is daar geen sprake van. De Aziatische kennishonger, de sociale gretigheid daar en de nieuwste mogelijkheden kunnen in een generatie tijds van het Westen een achtertuin maken als de stormbal niet wordt gehesen – Friedman is zich rot geschrokken, de Haagse economen zeggen dat het allemaal wel in orde komt.

Dit verschil in diagnose – rust versus revolutie – is bizar, want we hebben het hier over een van de grootste veranderingen van de laatste halve eeuw in de wereld. Tot nader order neig ik ernaar mijn kaarten te zetten op de analyse van Friedman, de briljante amateur die ogen en oren in de wereld de kost heeft gegeven. Maar het kan natuurlijk allemaal nog anders lopen. Landen kunnen ouderwets oorlog gaan voeren, bijvoorbeeld over olie, want alleen al in Peking komen er per maand dertigduizend auto's bij en die moeten ergens op rijden. Bovendien is er niet zoiets als historisch determinisme. Zoals de Israëlische politicoloog Yaron Ezrahi constateerde: `Internet brengt vermoedelijk meer irrationaliteit dan rationaliteit over, want irrationaliteit is emotioneler geladen, vergt minder kennis, en is gemakkelijker te behappen'.

Samenzweringstheorieën gaan als een drug rond via internet in de Arabische wereld – en niet alleen daar – en op een voedingsbodem van vernedering leiden zulke drugs gemakkelijk tot verslaving. Aan de andere kant kan de behoefte aan bescherming tegen terrorisme het ontplooide individu weer meer in de handen van de staat drijven en kan de behoefte aan afgrenzing weer versterken. Het kan met behulp van de goede oude geopolitiek, kortom, allemaal nog heel anders uitpakken dan The World is Flat suggereert.

Maar toch – het blijft wijs daar ondertussen niet op te gokken.

Thomas Friedman: The World Is Flat. A Brief History of the Twenty-First Century. Allen Lane, 496 blz. €36,58. Een Nederlandse vertaling verschijnt komend najaar bij Nieuw Amsterdam.