De anatomie van de engel

Omdat we wilden dat ze zouden bestaan, hebben we de engelen gemaakt. Om soms even te mogen geloven dat het mogelijk is met een paar vleugelslagen boven het aardse uit te stijgen.

Plotseling zijn ze er weer, de engelen. Ze zijn teruggekomen, terwijl wij eigenlijk niet gemerkt hadden dat ze weg waren. Al die tijd waren ze dicht bij ons geweest, op kerkhoven, op de kapitelen van romaanse kerken, op schilderijen van Filippino Lippi, als beelden van Bernini, in de woorden van Rilke, Shakespeare en Dante. Met die engelen was er dus niets aan de hand, ze hadden rustig eeuwenlang gewacht in de kathedraal van Chartres, op de etsen van Rembrandt en de triptieken van Grünewald, in Miltons Paradise Lost en de liederen van Hildegard von Bingen. Gewacht tot wij ze weer zouden zien, tot wij weer over ze na zouden denken. Zij hadden de tijd die wij bezig waren kwijt te raken.

Wanneer heb ik voor het laatst over engelen nagedacht? Of had ik nooit echt over ze nagedacht, omdat ik ze al vanaf mijn prille jeugd om om mij heen had? Overal waren ze, in kerkboeken, op bidprenten, schilderijen, glas-in-loodramen, als je katholiek werd opgevoed kon je ze niet ontlopen. Een engel kwam aan Maria vertellen dat ze de moeder van God zou worden, een engel met een vlammend zwaard stuurde Adam en Eva uit het Paradijs, Jacob vocht met een engel, Lucifer was een gevallen engel, en zelf had je, als het goed was, een engelbewaarder die je voor allerlei onheil zou behoeden. Je had ze in soorten, dat leerde je ook nog, Serafijnen en Cherubijnen, Tronen en Machten, gewone engelen en aartsengelen.

Voor je gevoel waren het mannen, maar dan wel mannen in min of meer vrouwelijke kleren, en op een geheimzinnige manier nooit oud – een engel van een jaar of vijftig zou ondenkbaar zijn. Ze hadden eerder lokken dan haren, geen schoeisel, brillen natuurlijk al helemaal niet, maar wel dat eigenaardige anatomische extra: vleugels, waardoor ze eigenlijk onder de ornithologie zouden moeten vallen, terwijl ze – ondanks al hun veren – toch dichter bij de mensen, en dus bij de zoogdieren, lijken te horen, een bijna blasfemische gedachte omdat ze daar te heilig, te anders en te tijdloos voor zijn. Maar zijn het nu mannen of niet? Niet, zegt het Concilie van Nicea in 787, om de eenvoudige reden dat ze geen lichaam hebben. En ook de Koran weet het zeker (Hoofdstuk XLIII, 19): ze hebben geen enkel attribuut van het mannelijke of vrouwelijke geslacht, wat strikt genomen niet hoeft te betekenen dat ze geen lichaam hebben, maar het probleem wel weer groter maakt.

Er is altijd een ogenblik waarop iets dat heel gewoon is plotseling raadselachtig wordt, een raadselachtigheid die alleen maar te bestrijden is met domme vragen.

Heeft iemand ooit het skelet van een engel gezien? Heeft iemand ooit geprobeerd het te tekenen? Ik zou me kunnen voorstellen dat Leonardo da Vinci, die zo in de techniek van het vliegen geïnteresseerd was, het geprobeerd heeft,al was het maar om te ontdekken hoe die vleugels nu eigenlijk anatomisch aan de rest van hun lichaam vastzitten.

Engelen zijn denkbeeldige wezens, maar al hebben ze dan volgens het concilie van Nicea geen lichaam, dat heeft toch kennelijk niemand verhinderd om ze met een lichaam af te beelden – je zou het luchtruim kunnen verduisteren met de vleugelmannen van Rafael, Giotto, Fra Angelico, Rubens, Zurbarán, en je zou hele brigades van engelenscharen kunnen recruteren uit alle gevleugelden die op Spaanse en Italiaanse kerkhoven de doden bewaken tot het Laatste Oordeel.

Van Zurbarán herinner ik me de graflegging van de Heilige Catharina, twee reusachtige, zeer mannelijke engelen die het in een zijden lijkwade gehulde lichaam van de heilige langs de gruwelijke martelmachine met messen manoeuvreren, waarop zij gemarteld is. Op dat schilderij is het heel stil, maar dat kan natuurlijk niet: er moet een groot geflap en geruis van veren te horen geweest zijn omdat ze elkaar in de veel te kleine ruimte natuurlijk niet mochten hinderen met die grote vleugels, terwijl ze tegelijkertijd hun evenwicht moesten zien te bewaren.

Ineens wil je dan weten wat voor veren dat nu eigenlijk zijn, hoeveel lucht ze verplaatsen met hun mansgrote vleugels, hoe snel ze vliegen, hoe ze landen, of ze last hebben van stormen en andere wisselvalligheden van het weer en de termiek, kortom raadsels die zowel met heiligheid als met aerodynamica te maken hebben.

Waarom fascineren deze heilige droomwezens ons zo? Precies daarom, omdat het droomwezens zijn, die iets kunnen wat wij het liefste ook zouden kunnen, namelijk vliegen. Ze hoeven zich niets aan te trekken van de universele wetten van de zwaartekracht waar wij mee te maken hebben, zij vliegen onbekommerd heen en weer tussen onze aardse vluchtigheid en de eeuwigheid die hun woonplaats is, en al zijn ze dan gewichtloos ze hoeven tenminste de mensonterende kleding niet te dragen die onze sterfelijke astronauten aan moeten trekken om zelfs maar een klein beetje van de ons altijd terugroepende aarde weg te komen.

Wie ooit in een droom gevlogen heeft, zal weten wat ik bedoel. Het is niet hetzelfde als in een skilift, een helikopter of een vliegtuig, het gaat om het zelf vliegen, de langzame vleugelslag, het vreemde wiegen, zweven en zalig op de luchtstroming glijden dat wij van de meeuwen, buizerds en ooievaars hebben afgekeken, een wellustig machtsgevoel, de blik van hoog boven de wereld die alles, ook het meest verborgene, opmerkt.

Ik heb geprobeerd me voor te stellen hoe het is om een engel te ontmoeten. Om dat goed te doen moet je op het kerkhof van Genua, of van San Michele in Venetië recht tegenover zo'n marmeren engel gaan staan en je inbeelden dat hij (natuurlijk zijn engelen mannen, ze heten niet voor niets Gabriël en Michaël) heel even zijn marmeren vleugels schikt en ze dan uitspreidt. Als hij ze dan ook nog optilt, klaar om weg te vliegen, sta je ineens in de schaduw van een zonsverduistering. Je bent op je plaats gezet, daar waar je hoort als je niet kunt vliegen en niet in de hemel woont. Stel je nu één ogenblik voor dat je Maria bent. Maak van dat loodzware marmer maar weer veren, dan is het nog erg genoeg. Je zit rustig in je kamer, je weet van niets, het magnificat moet nog beginnen, niemand heeft je iets verteld, dat is nu juist wat die engel komt doen, hij is de hemelse boodschapper, de stratosfeer is voor hem niet meer dan een drempel.

Plotseling hoor je het geluid van die vleugels, alsof er een prehistorische vogel gaat landen. Heb je er wel eens over nagedacht hoe dat moet klinken? Als er een duif voorbijvliegt hoor je het al, laat staan als die vleugels honderd keer zo groot zijn.

Sandro Botticelli is de schilder die het gezien heeft met de ogen van zijn verbeelding. Een rode vloer met rechthoekige tegels, een streng patroon, geometrische lijnen als tegenstelling tot al die wervelende textiel, de vouwen en plooien van de kleren (engelen zijn nooit naakt) van de vrouw en haar gevleugelde bezoeker. Voor beiden bestaat op dat ogenblik de rest van de wereld niet meer. Hier is eeuwigheid aan de orde, de tijdseenheid van de mythe.

Het is doodstil. De boodschapper is net aangekomen, hij is op één knie geknield en heeft zijn rechterhand opgeheven naar de vrouw die licht gebogen boven hem staat. Hun handen raken elkaar bijna, het beeld is van een snijdende intimiteit, zo dicht komen engelen nooit bij mensen. Beiden hebben ze alle vingers van die twee handen gespreid, alsof dat de taal is waarin ze zich willen uitdrukken, want in woorden is er nog niets gezegd. Spreken engelen alle talen? En wat denken ze eigenlijk van ons? Zijn wij mislukkelingen die niet kunnen vliegen, die een redelijke kans hebben om in de hel te komen, die niet weten hoe je eeuwig moet leven, die God nog nooit gezien hebben? Misschien hebben ze wel medelijden met ons, en waarom ook niet. Maar met Maria hoeft deze engel geen medelijden te hebben.

Zij kijkt niet naar hem, anders zou ze de angst zien die bij zijn eerbied hoort. Ik denk dat de meeste mensen die naar zo'n schilderij kijken niet echt over de waanzin van die boodschap nadenken. Een gevleugelde man is zojuist als een menselijk vliegtuig naar binnen gevlogen in een renaissancekamertje, zijn vleugels staan nog een beetje opgetild, het onaangedane landschap buiten met die ene, ijle, hoge boom in het mediterrane licht bemoeit zich nergens mee, de engel komt een boodschap brengen uit een wereld die miljoenen mijlen ver weg is en tegelijkertijd voor hem krankzinnig vlakbij, een onbereikbaar gebied waar tijd en afstand niet bestaan.

Boodschapper, koerier, afgezant, vertegenwoordiger van een gedroomde wereld.

Omdat we gewild hebben dat ze zouden bestaan hebben we de engelen gemaakt. Van woorden, van inkt, van zilver en goud, van ivoor en van hout, van marmer en porcelein, we hebben ze gemaakt om ons aan iets te herinneren, om soms even te mogen geloven dat het mogelijk zou zijn om met een paar vleugelslagen boven het aardse leven uit te stijgen en door te vliegen naar het domein van de tijd zonder tijd.

Maar nee, zegt de dichter Czeslaw Milosz, dat kan niet waar zijn. Hij heeft een stem gehoord die het tegendeel beweert, en misschien is er een tijd aangebroken waarin je hem liever gelijk wilt geven vanwege de duisternis die weer over de wereld hangt en die ons herinnert aan vroegere tijden, toen vrede en overleven al evenmin vanzelfsprekend waren en de mensen net als de oude dichter in engelen wilden geloven om niet alleen op de wereld te zijn.