Achter de schrijvers aan

In juli 2004 stond ik in het Duitse Badenweiler in de hotelkamer waar Anton Tsjechov honderd jaar eerder was overleden. Een ongekende sensatie. Niet dat de kamer er nog net zo uitzag als in 1904, maar toch. In dit hotel schuifelde hij rond, op het bankje op de overloop pufte hij uit als hij de trap besteeg. Kortom, hier kon ik Tsjechov bijna een hand geven.

Lisette Lewin begrijpt de opwinding van zo'n literaire bedevaart als geen ander. Jarenlang maakte ze vergelijkbare literaire queestes. De verslagen van die reizen verschenen in dagbladen, literaire tijdschriften en een enkel boek. Nu zijn ze, voorzien van een nieuw geschreven reportage over Emile Zola, gebundeld in Schommelingen van het hart.

In alle hoofdstukken van dit heerlijke boek laat Lewin zien dat ze een scherp observator is met gevoel voor het saillante en vermakelijke. Zo reisde ze in 1983 met een groepje Nederlandse toeristen naar Jalta, met als doel Tsjechovs huis te bezoeken. Zodra ze kon trok ze er alleen op uit. In het circus zat ze vervolgens tussen twee droevige oorlogsveteranen die tijdens de clownsnummers in tranen van het lachen uitbarstten. In Tsjechovs werkkamer keek ze uit het raam dat in 1904 nog uitzicht bood over de zee, maar nu op torenflats. En ook reisde ze per trein en bus naar de stad Tsjechov, waar de schrijver zijn landgoed Melichovo had. Ze rook er Tsjechov en bewonderde zijn vulpen en bibliotheek, maar kon amper een bus terug vinden.

In haar beschrijving van het leven van de humoristische Russische schrijver Michaïl Zosjtsjenko is Lewin op haar best. Ze gebruikt diens biografie om de geleidelijke ondergang van het vrije woord in de stalintijd te schetsen. Het wemelt in dit hoofdstuk van schrijvers die door de censuur hun werk niet meer uitgegeven krijgen en uiteindelijk gedwongen worden saai socialistisch-realistisch proza af te scheiden. Het overkwam ook Zosjtsjenko, die juist door de revolutie, het begin van een nieuw Rusland, van zijn depressiviteit verlost hoopte te worden. Na 1917 oefende hij zo'n vijftig beroepen uit, om te zien hoe het er daarin aan toeging. Zo was hij schoenmaker, telefonist, kantoorklerk, directeur van de posterijen, pluimveehouder en hoofdagent van politie. Zijn depressies namen er niet door af. Lewin verweeft zijn bonte avonturen met zijn ervaringen met de Sovjet-autoriteiten en schept zo een indringend beeld van de wijze waarop het communistische regime een groot kunstenaar kapot heeft gemaakt.

Na een bezoek aan Prousts Parijse appartement, het fileren van de ijdeltuit Pierre Loti en een vermakelijke analyse van het groteske leven van Jean Lorrain, besluit Lewin haar boek met een niet eerder gepubliceerd verhaal over Emile Zola. Het is het langste hoofdstuk in het boek en het indrukwekkendste. In de eerste plaats dankt ze dat aan Zola zelf, zoon van een verarmde weduwe uit Aix-en-Provence, mislukt op het lyceum, via allerlei baantjes bij een uitgeverij beland en vervolgens triomfen vierend als schrijver van het twintig delen dikke familie-epos Les Rougon-Macquart.

Lewin zet Zola neer als een weinig sympathiek mens, totdat de affaire rondom de ten onrechte van hoogverraad beschuldigde joodse officier Dreyfus begon. Hij schreef een open brief aan de Franse president onder de kop J'Accuse, die er uiteindelijk voor zorgde dat Dreyfus werd vrijgelaten. Zelf haalde Zola zich een smaadproces op de hals en ontsnapte hij bij het verlaten van de rechtbank ternauwernood aan de moordzucht van het antisemitische gepeupel. Toen Dreyfus in 1906 eindelijk eerherstel kreeg, zes jaar eerder werd hij al vrijgelaten, was Zola al zes jaar dood. Officieel was hij gestorven aan koolmonoxidevergiftiging, maar Lewin sluit moord door een anti-Dreyfusard niet uit.

Lisette Lewin: Schommelingen van het hart. Op zoek naar Marcel Proust, Anton Tsjechov, Thomas Mann, Aleksandr Poesjkin en andere geliefde schrijvers. Nijgh & Van Ditmar, 272 blz., €19,90