Zuinig op de huisarts

Het Nederlandse zorgstelsel kent een belangrijke poortwachter die voorkomt dat de kosten van de medische zorg uit de hand lopen en dat is de huisarts. Door tijd te nemen voor een diagnose kan de huisarts al veel problemen oplossen die anders zouden worden doorverwezen naar dure specialisten in ziekenhuizen. En voor het geval er specialisten nodig zijn, kan de huisarts dankzij zijn deskundigheid naar de juiste doorverwijzen. Bovendien beschikt hij over het hele dossier van patiënten die gebruik moeten maken van verscheidene specialisten. Die weten vaak van elkaar niet wat ze voor de patiënt aan het doen zijn. De unieke sleutelrol van de Nederlandse huisarts wordt in andere landen vaak als voorbeeld gesteld voor zuinige, effectieve geneeskunde.

De rol van de huisarts als kostenbewaker en eerste oor voor de patiënt komt onder druk. Bij het uitzetten van nieuw beleid en nieuwe wetgeving hebben achtereenvolgende kabinetten en Kamerleden zich zelden bekommerd om de uitvoerbaarheid in de huisartsenpraktijk. Door de groeiende medische bureaucratie besteedt de gemiddelde huisarts nog de helft van zijn tijd aan patiënten. Steeds meer tijd gaat op aan administratie van ingewikkelde voorschrijfsystemen en verzekeringsvoorwaarden en aan het rondbellen voor plaatsing van de patiënt in schaarse medische voorzieningen. Naast de behandelkamer komt een steeds groter administratiekantoor.

Voor huisartsen alleen is de praktijk nauwelijks vol te houden. Steeds meer huisartsen vormen samen huisartsenposten. Dat zijn eerste-lijn-ziekenhuisjes die de administratieve eisen beter aankunnen en waar deeltijdwerk beter mogelijk is. Nadeel is dat de persoonlijke kennis die dokters hebben over specifieke patiënten minder wordt.

De invoering volgend jaar van wat de Raad van State betitelt als `bureaucratisch gestimuleerde marktwerking' in de zorg door middel van de zorgverzekeringswet, maakt het werk voor huisartsen nog moeilijker. Huisartsen komen alleen te staan tegenover verscheidene verzekeraars met uiteenlopende eisen en voorwaarden. De een wil het verwijderen van de hechtingen na een operatie wel vergoeden, de ander niet. Terwille van de concurrentie moeten die verschillen er zijn. Het gevolg is dat de huisartsen er met hun eigen unieke contracten en voorwaarden steeds meer alleen voor komen te staan tegen de grote verzekeraars en dat de administratie nog verder moet worden uitgebreid. Daarbij staat ook hun rol als arts op het spel. Zij kunnen worden verplicht gegevens uit medische dossiers door te spelen aan verzekeraars, waardoor de vertrouwelijkheid van de arts-patiënt-relatie minder wordt. Daarbij staat ook de poortwachterfunctie van huisartsen bij de vroegere ziekenfondsen en sommige particuliere verzekeraars op het spel. Alle patiënten kunnen dan direct naar specialisten gaan of naar basisartsen die in een bepaald soort zorg zijn gespecialiseerd. Dergelijke uitvoeringskwesties zijn belangrijker dan de tariefswijzigingen die altijd bij verschillende huisartsen anders uitpakken.

Op grond van ervaringen in het verleden is het wantrouwen van de huisartsen en hun Landelijke Huisartsenvereniging gerechtvaardigd. De vraag is of de minister greep houdt op een stelsel van verplichte private zorgverzekeringen. Bij andere privatiseringsoperaties in het verleden bleek dat meestal niet het geval te zijn. De huisartsen willen geen akkoord sluiten met minister Hoogervorst en gaan acties organiseren. Het is het eerste obstakel in deze grootscheepse reorganisatie van de zorg. Er zullen er in dit internationaal unieke beleidsexperiment meer volgen. De overheid zou de kloof tussen politiek en praktijk moeten verkleinen en zuinig moeten zijn op haar internationaal hooggeachte huisartsen.