Wat herdenken wij?

Als iemand die in zijn Amsterdamse jeugd veel joodse klasgenoten had; die zich op 26 november 1940 bevond onder het gehoor van prof. Cleveringa, toen hij zijn protest tegen het ontslag van joodse docenten liet klinken; en die onder zijn naaste verwanten en vrienden mannen (jongens eigenlijk) had die gesneuveld zijn of het leven lieten voor een Duits vuurpeloton, heb ik de laatste twee weken veel reden gehad om de jaren 1940-1945 te herdenken.

Dat heb ik dan ook gedaan. Ja, dat doe ik eigenlijk altijd veel. Oude mensen denken nu eenmaal vaak aan het verleden, en daarin zijn die jaren in hun geval een veelal beslissende periode geweest. (De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik dan soms ook, zij het met andere gevoelens, denk aan tijdgenoten die ik gekend heb en die in de oorlog de verkeerde keus hebben gemaakt.)

Kortom, ik heb geen bepaalde tijd of plaats nodig om die jaren te herdenken. Daarom heb ik die laatste twee weken vaak met gemengde gevoelens de kranten zitten lezen en naar de televisie gekeken. Wat werd daar eigenlijk herdacht? Welke beelden hadden de herdenkers voor ogen?

Volgens een berekening heeft nog slechts één van de vijf levende Nederlanders de oorlogs- en bezettingsjaren bewust meegemaakt, en zelfs van die overlevenden zijn de getuigenissen vaak niet betrouwbaar – niet omdat zij onbetrouwbaar zijn, maar omdat het geheugen onbetrouwbaarder wordt naarmate de getuige ouder wordt. En dan spreek ik nog niet van de zeer menselijke behoefte eigen belevenissen, vaak onbewust, interessanter te maken dan ze zijn.

En wat herdenken diegenen die die jaren niet of niet bewust hebben meegemaakt – de overgrote meerderheid dus – eigenlijk? Zij herdenken niet de oorlog of bezetting, maar verhalen daarover. Zeker, verhalen zijn belangrijk, en minister-president Balkenende heeft dan ook in zijn toespraken in Amsterdam en Margraten (resp. 4 en 8 mei) de overlevenden aangespoord met hun verhalen te komen, en de jongeren ernaar te luisteren en ze door te geven.

Maar de beoefenaars van oral history – en rechters trouwens ook – weten dat verhalen niet noodzakelijkerwijs een werkelijkheid weerspiegelen – een werkelijkheid die, zoals de meeste werkelijkheden, zeer complex was. Op z'n best benaderen zij een deelwerkelijkheid.

Zo lijken wij terug te keren naar het tijdperk waarin de mondelinge overlevering het middel was waarmee het verleden aan latere geslachten werd overgedragen. De geschiedenis van de Trojaanse oorlog, die werkelijk heeft plaatsgevonden, werd pas enkele eeuwen later geboekstaafd, en het verhaal werd toen het homerische epos de Ilias – prachtig, maar niemand die het leest, zegt nu: zo was het.

Maar als de herdenker, om welke reden ook, niet wil terugvallen op verhalen – die steeds meer de verhalen van anderen worden – dan blijft er weinig anders over dan te spreken in algemene termen: vrijheid, verdraagzaamheid, solidariteit, vrede. Dat gebeurt dan ook vaak, en die algemeenheden zijn ook niet onjuist, maar in hoeverre weten ze een nageslacht te boeien?

Prins Willem-Alexander, die evenals Balkenende, jaren na de oorlog is geboren, heeft een juist woord gesproken: ,,Ik hoop en verwacht dat we over zestig jaar nog altijd 5 mei vieren. Het zal nog altijd gaan om vrede en vrijheid, maar met een andere invulling, want iedereen die de bevrijding heeft meegemaakt, is dan overleden, zelfs hun kinderen zullen er vaak al niet meer zijn.''

Zeer juist. Die `invulling' zal, met andere woorden, steeds mythischer worden, steeds meer afgetrokken van de werkelijkheid, abstracter dus. Daaraan koppelt de prins de conclusie: ,,Dat maakt geschiedenisonderwijs zo belangrijk. [...] Het is van groot belang te analyseren wat de motieven waren, wat de tegenstellingen, hoe de regimes in elkaar staken, waarom zij succes hadden.''

Opnieuw: zeer juist, maar wie de motieven van anderen gaat analyseren, kan tot resultaten komen die het verhaal, de mythe ontkrachten. Zij die hechten aan het goed-foutschema, waarin de naoorlogse generaties zijn opgevoed, zullen ze als ergerlijke relativismen verwerpen. En inderdaad: de identiteit en de samenhang van een natie zijn meer gediend met mythes – de ander is altijd zwarter dan wij – dan met relativismen.

Dat geldt des te meer in een tijdperk waarin het overgrote deel van de natie zich niet voedt met de lectuur van boeken en kranten als deze, maar zich door televisie laat voeden, en die kan zich, al was het alleen maar wegens de kijkcijfers, niet bezighouden met subtiliteiten. Zo wordt het zwart-witbeeld van het verleden bestendigd, zo niet versterkt.

Dat beeld komt onvermijdelijk in conflict – en dat heeft eveneens bijgedragen tot de gemengde gevoelens waarvan ik hierboven sprak – met een ander artikel van onze nationale canon: verzoening tussen de volken. Balkenende noemde dit gebod, waarvan de door de regering (staatshoofd én kabinet) hartstochtelijk beleden Europese gedachte een uiting is, in één adem met de noodzaak verhalen te vertellen en door te geven, maar er zit op z'n minst een spanning tussen die twee. Niet iedereen is in staat te herdenken zonder dat oude vijandbeelden weer wakker worden.

Om die reden ben ik, anders dan prins Willem-Alexander, niet zo zeker of we ten eeuwigen dage moeten doorgaan met herdenken. Ik geef toe dat die twijfel mede is ingegeven door mijn afkeer jegens de plaats waar de nationale herdenking plaatsvindt: het op zichzelf al monstrueuze – nationale monument, ingeklemd tussen een warenhuis, een hotel en een sociëteit van zakenlieden – als ware het een zinnebeeld van de handelsgeest der natie.

Maar dat een natie mythes en lieux de mémoire nodig heeft – dat is waar.