Te veel ruimte voor fietsfundamentalisten

De entree van het nieuwe Rijksmuseum komt niet midden in de onderdoorgang. De `bouwheren' (onder meer het ministerie van VROM) zijn gisteren gezwicht voor het verzet van omwonenden en stadsdeel Oud-Zuid. Te zot voor woorden, vindt Cyrille Offermans.

Het stond er nog niet, of het moest al vernieuwd: het Rijksmuseum, een van de twee meesterwerken die de Roermondse architect Pierre Cuypers Amsterdam heeft geschonken, was direct na voltooiing van de bouw in 1885 aan vernieuwing toe. Het gebouw was te klein om alle taken die het museum op zich had genomen, naar behoren te kunnen uitvoeren. Dus moest het worden verbouwd en vertimmerd, wat bij zo'n tot in de details doordachte, harmonieus geproportioneerde kunstkathedraal à la Gaudi niet zonder pijnlijke gevolgen kon blijven.

In de loop der tijd deden zich bovendien – en onvermijdelijk – veranderde opvattingen over de presentatie van kunst gelden, dus gingen de plafonds omlaag en werden de muren gewit, zodat uiteindelijk van het ondanks alle decoraties en muurschilderingen overzichtelijke gebouw van Cuypers niets overbleef.

De hoogste tijd dus voor een renovatie, waarbij het oorspronkelijke concept van Cuypers zoveel mogelijk in ere hersteld moest worden en er eigentijdse publieksvoorzieningen moesten komen. Begin 2001 werd aan zeven architecten uit binnen- en buitenland gevraagd hun visie te geven op wat sindsdien het Nieuwe Rijksmuseum heet. Nadat die hun plannen in maart 2001 aan de breed samengestelde beoordelingscommissie onder leiding van de toenmalige Rijksbouwmeester Jo Coenen hadden uiteengezet, volgde in april de uitverkiezing van de samenwerkende Spaanse, uit Sevilla afkomstige architecten Antonio Cruz en Antonio Ortiz. Het Rijksmuseum kon zich in de handen wrijven. Betere architecten zijn er voor een complex karwei als dit moeilijk te krijgen.

Een jaar later, in april 2002, legden Cruz en Ortiz de voorstudies van het ontwerp voor aan het Amsterdamse stadsdeel Oud-Zuid, dat de bouwvergunningen moest verstrekken; in januari 2003 volgde het voorlopig ontwerp, magistraal, zoals te verwachten was. Niettemin begon toen de ellende.

Omwonenden vonden dat de centrale onderdoorgang te weinig ruimte bood aan fietsers en voetgangers, en uiteraard vonden zij de Fietsersbond Amsterdam aan hun zijde. Zij verenigden zich in een comité `Red de Onderdoorgang', een lichtelijk tendentieuze naam, aangezien het voortbestaan van die inmiddels beruchte onderdoorgang geen moment op het spel heeft gestaan. Sterker, hij maakte van meet af aan een essentieel onderdeel uit van de plannen van Cruz en Ortiz. Niettemin nam het stadsdeel de kritiek van het actiecomité over en ligt het tot op heden dwars.

Cruz en Ortiz zijn, in alle bescheidenheid, trotse architecten. Ze laten zich niet inhuren door lieden die hun stad of bedrijf door middel van exuberante gebouwen `op de kaart willen zetten', maar hebben, zoals het goede (renovatie)architecten betaamt, allereerst oog voor het historisch waardevolle van bestaande gebouwen en voor de stedelijke context. Toevoegingen aan oude gebouwen moeten uiteraard met moderne middelen worden uitgevoerd, maar liefst zo harmonieus mogelijk, zonder schokeffecten. In Spanje hebben ze op dit gebied een aantal opzienbarende projecten op hun naam staan die bewijzen dat zij als geen ander in staat zijn oud en nieuw te combineren. Bijvoorbeeld een tot gemeentehuis omgebouwd stadspaleis in Sevilla, het `Museo del Mar' in Cadíz als uitbreiding van een bastion op de oude stadsmuren, en bovenal een woningbouwproject (van nieuwe woningen) in het historische centrum van Sevilla. Al die gebouwen munten uit door hun heldere eenvoud, hun strakke elegantie, hun vaak geniale detailoplossingen, hun gerichtheid op het gemak van bewoners en gebruikers, en bovenal door hun oogstrelende binnenruimten.

Deze staat van dienst van Cruz en Ortiz zal zeker een rol hebben gespeeld bij hun uitverkiezing voor de renovatie van het Rijksmuseum. Die stond namelijk niet in het teken van `Weg met Cuypers', maar van `Terug naar Cuypers' of liever nog van `Verder met Cuypers'. Met het oog daarop hebben Cruz en Ortiz zich niet alleen in het Rijksmuseum verdiept zoals het er een paar jaar geleden bijstond, maar ook in de oorspronkelijke plannen van Cuypers, alsmede de nogal treurige historische lotgevallen daarvan.

Daarbij kwam aan het licht dat Cuypers, nogal logisch, één entree had gewild, namelijk in het midden van het gebouw, aan de noordkant. Maar de gemeente wilde het museum, dat indertijd nog aan de rand van de stad lag, ook een half symbolische, half feitelijke functie geven als stadspoort, met als gevolg dat de voor de hand liggende centrale ingang moest wijken voor de onderdoorgang, en functioneel moest worden vervangen door twee zij-ingangen, die elk toegang moesten geven tot een van de beide museumvleugels. Want met die onderdoorgang was een tweedeling onvermijdelijk geworden: in plaats van één intern logisch gestructureerd gebouw ontstonden nu twee vleugels die gelijkvloers geen enkele verbinding hadden en pas op de eerste verdieping contact maakten. Dat Cuypers zich, overigens niet zonder morren, bij die – vanuit architectonisch oogpunt gezien – irrationele wens van de gemeente heeft neergelegd, is de oorzaak van alle tot op de dag van vandaag voortdurende ellende.

Maar Cruz en Ortiz hadden een magistrale oplossing voor alle verkeersproblemen, zowel de interne als de externe. Zij waren ervan overtuigd dat de ingang maar op één plaats kon liggen, ongeveer op dezelfde plaats die Cuypers had gewild en waar elke toerist die sindsdien het museum ín wilde intuïtief, maar vergeefs, ging zoeken. Aangezien Cruz en Ortiz de passage uiteraard niet ongedaan wilden maken, moest de ingang in de passage komen, en wel halverwege de door pilaren gemarkeerde middenbeuk. Logisch, die summiere afwijking van de oorspronkelijke plannen van Cuypers, het museum ligt immers inmiddels `midden' in de stad. De beide zijbeuken, elk van ongeveer drie meter, zouden dan voor de fietsers aan de ene kant en voor de voetgangers aan de andere kant zijn.

Een daarmee samenhangend aspect van de plannen van Cruz en Ortiz is dat de in de jaren '50 en '60 volgebouwde binnenhoven in de beide museumvleugels worden ontmanteld en leeggehaald. Vervolgens moeten die binnenhoven als het ware een verdieping zakken en deel gaan uitmaken van één enorm ondergronds atrium dat via trappen en roltrappen vanuit het midden van de passage bereikbaar is. Het hele plein krijgt een glazen overkapping die het daglicht vrij toegang geeft. Het belangrijkste effect van deze verandering is dat dit plein de door Cuypers nooit gewilde tweedeling van het museum grotendeels ongedaan maakt.

Zoveel moois, zou je zeggen, daar kan niemand tegen zijn. Maar het comité `Red de onderdoorgang' was nog niet tevreden. De passage bood te weinig ruimte aan de fietsers, vond men, daar moest absoluut iets aan gedaan worden. Dus togen Cruz en Ortiz opnieuw aan het werk. Ze maakten de entree tot het ondergrondse plein in de passage smaller, zodat in de middenbeuk ruimte zou komen voor voetgangers, terwijl beide zijbeuken door de fietsers konden worden gebruikt.

Echter, de fietsfundamentalisten van Oud-Zuid vonden nog altijd dat er te weinig rekening met hun belangen werd gehouden. En dat terwijl de door Cruz en Ortiz geplande fietspaden in de passage 3,40 meter breed zijn en op de plaats van de nu eenmaal onvermijdelijke pilaren nog altijd drie meter, dat wil zeggen: breder dan waar ook in Amsterdam. Bij monde van zijn voorzitter – nota bene iemand van de VVD, een partij die ik op verkeersgebied nog nooit op enige sympathie voor het economisch zo onnutte rijwiel heb kunnen betrappen – liet het stadsdeel op 16 maart jongstleden weten niet akkoord te gaan met de aangepaste plannen, het wil de héle passage voor voetgangers en fietsers.

Intussen hebben de Fietsersbond en de omwonenden een alternatief plan bedacht: zij willen af van de centrale entree en stellen voor vier ingangen te maken, in de beide zijwanden van de passage telkens twee. Op die manier wordt het ondergrondse plein langs vier wegen toegankelijk. Het motief: aan de bestaande indeling van de passage, fietsers door de middenbeuk en voetgangers door de zijbeuken, hoeft niets veranderd te worden. Maar het ligt voor de hand dat Cruz en Ortiz zich niet dan met de grootste tegenzin zullen schikken in dit besluit. Het voorstel van het stadsdeel gaat eraan voorbij dat het feitelijke middelpunt van de passage architectonisch, logistiek en esthetisch de meest voor de hand liggende plaats is voor de entree. Die centrale entree geeft de middenbeuk een extra markering, die bij een zo kolossaal symmetrisch gebouw niet meer dan passend is. Bovendien zal het alternatief met de vier kleine zij-ingangen de problemen met de interne logistiek in het museum niet kunnen oplossen. Het zal bij die vier ingangetjes, waar volgens de bedoeling bezoekers zowel naar binnen als naar buiten kunnen, een rommeltje worden.

Bovendien – en dat vooral is een cruciaal esthetisch argument – zal de visuele verbinding tussen de beide museumvleugels, die in het ontwerp van Cruz en Ortiz al vanuit de passage onmiddellijk en op zo'n ruimtelijk fraaie wijze in het oog springt, grotendeels teniet worden gedaan. Wie in het atrium van de ene naar de andere vleugel loopt, blijft ook onder de passage in het licht; in de variant van de omwonenden ontstaat onder de passage een donkere, lage doorgang van maar liefst twintig meter die deze ruimte genadeloos in tweeën splitst. Cruz en Ortiz hebben van meet af aan niet te weinig maar te véél rekening gehouden met de belangen van de fietsers. Er valt geen zinnig argument te bedenken waarom de fietsers ook in de toekomst per se door die passage zouden moeten mogen. Waarom niet de hele passage bestemd voor voetgangers? Het zou de door de deelraad zo belangrijk geachte veiligheid in de passage ten goede komen – want het is waar: fietsers zijn al vaak net zo bot als automobilisten – maar belangrijker nog: Cruz en Ortiz zouden de oorspronkelijke breedte, en daarmee het tamelijk majestueuze maar geenszins protserige karakter van de entree, kunnen handhaven.

Ik draag fietsters een warm hart toe, maar zij kunnen net zo goed buitenom rijden. Komend vanaf het Museumplein moeten ze, sinds het verdwijnen van de Museumstraat, sowieso al een omweg maken om de passage te bereiken; en of ze nu, komend vanaf de Stadhouderskade, vóór het museum links- en/of rechtsaf buigen om aan de andere kant op de Hobbemastraat uit te komen, of ze doen dat ná door de passage te zijn gefietst, dat kan op zijn hoogst een seconde of tien, vijftien schelen.

Hoe is het trouwens mogelijk dat een stadsdeel de beslissingsbevoegdheid heeft over de renovatie van een Rijksmuseum? Alsof dat museum er alleen staat tot meerdere eer en glorie van de bewoners van Oud-Zuid. De renovatie is het gevolg van een unaniem besluit van de Tweede Kamer (in 1999), het kabinet is de belangrijkste financier, het Rijksmuseum en de ministeries van OCW en VROM hebben een beheerorganisatie opgericht om het project te realiseren. Je zou dus verwachten dat, als het rijk in deze kwestie al niet de laatste stem zou hebben, dan toch op zijn minst de centrale stad meer te vertellen zou moeten hebben dan een deelraad, die immers, zoals nu maar al te pijnlijk blijkt, bij wijze van spreken van nature geneigd is zijn eigen kleine deelbelangen te laten prevaleren boven alle vormen van algemene redelijkheid.

Cyrille Offermans is schrijver en essayist.