Feitelijke fouten inzake de Europese Grondwet 1

In de brievenrubriek (Opinie & Debat, 7 mei) verweet mr. Anneke Goudsmit onze premier ,,denk- en feitelijke fouten'' te maken in zijn interview met deze krant (28 april) over het grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie.

Het is gecompliceerde lectuur: de mening, dat in dat verdrag het stemgewicht van grote landen als Frankrijk en Duitsland groter en dat van kleine landen zoals Nederland kleiner wordt, vindt men niet alleen bij mevrouw Goudsmit. Die mening is wijdverbreid, maar is nu juist zelf een `feitelijke fout'.

De misvatting is ontstaan doordat vergeten wordt dat in de Grondwet twee sleutels gebruikt worden om het stemgewicht per land te bepalen: de bevolkingsomvang, waar de grote landen natuurlijk hoog scoren, maar ook het aantal lidstaten dat voorstemt, waarbij Malta even hoog scoort als Duitsland.

De combinatie van die twee sleutels maakt dat ook als alle zes grote landen het eens zijn (wat praktisch nooit voorkomt), zij volgens de Grondwet nog ten minste negen van de negentien kleine landen nodig hebben om de versterkte meerderheid te behalen die voor het aannemen van een Europese wet nodig is, want 15 vóórstemmers is het minimum. Daardoor is het stemgewicht van de kleine landen volgens de Grondwet zelfs groter dan onder het nu geldende Verdrag van Nice, waar zeven kleine vóórstemmers al voldoende zijn om de grote aan een beslissende meerderheid te helpen.

Mevrouw Goudsmit vreest voorts, dat door uitbreiding van Europese bevoegdheden onder de Grondwet Nederland gedwongen kan worden tot beleid waar wij het (absoluut) niet mee eens zijn, denk aan het drugsbeleid. Ook die vrees vindt echter in de tekst van de Grondwet géén steun, evenmin als soortgelijke bezorgdheid t.a.v. het homohuwelijk of adoptie door homoparen. Het is jammer, dat de discussie over de Grondwet door zulke telkens terugkerende misvattingen vertroebeld wordt.