Zwoegen voor een Europese carrière

Wie een carrière als Europees ambtenaar ambieert, zal deel moeten nemen aan een zwaar toelatingsexamen, het Concours. Slechts 3 tot 5 procent van de deelnemers slaagt. En sinds de EU meer landen telt, is de kans op een Europese loopbaan alleen maar kleiner geworden. Want Oost-Europeanen hebben momenteel een streepje voor.

Ik weet nog precies wanneer ik het Concours deed'', zegt een Nederlandse diplomate in Brussel. ,,Dat was eind 2001. Mijn zoon was net geboren, ik was met zwangerschapsverlof. 's Nachts, als ik hem moest voeden, zat ik nog oude multiple-choicevragen te oefenen. Of oude tests `Begrijpend Lezen'.''

Tienduizenden mensen uit de hele Europese Unie doen elk jaar net als zij: blokken en nog eens blokken om het loodzware Concours te halen, ofwel het Europese Vergelijkende Onderzoek, waar je doorheen moet komen om in vaste dienst bij een van de Europese instellingen te kunnen werken. De meesten zeggen achteraf, net als de diplomate: ,,Als ik nóg harder had gestudeerd, had ik het misschien gehaald.'' Want afhankelijk van het aantal deelnemers en het aantal nieuwe medewerkers dat `Brussel' nodig heeft, slaagt maar 3 tot 5 procent voor het Concours. En met deelnemers uit de tien nieuwe EU-landen erbij worden de kansen dat je er als Nederlander doorheen komt, nog kleiner.

Zo waren er voor het Concours waar de diplomate aan meedeed georganiseerd om tachtig mensen te selecteren op het gebied van buitenlandse betrekkingen ruim vierduizend aanmeldingen uit de hele EU. 's Ochtends moesten ze drie uur in hun eigen taal multiple-choicevragen maken in het enorme Heizel-complex, aan de rand van Brussel: vragen over de internationale en Europese politiek, een taaltest en een rekentest. 's Middags moesten ze `essays' schrijven, waaronder een advies aan een Eurocommissaris over conflictpreventie. Hoewel de diplomate sommige rekenvragen had gegokt, kwam ze toch door deze eerste ronde heen.

Het duurde vervolgens maanden voordat ze de uitslag kreeg. Het Concours is een olifantendracht. De examens worden nagekeken door Europese ambtenaren die dit naast hun gewone werk doen. Eerst worstelen die zich door de multiple-choicetests heen. Alleen van de, zeg, vijfhonderd besten corrigeren ze vervolgens de essays. Omdat iedere deelnemer die zakt in beroep kan gaan, duurde het negen maanden voordat de diplomate en de ongeveer 250 andere overblijvers voor het mondeling werden opgeroepen. De diplomate dacht: `Daar kom ik wel doorheen'. Maar de juryleden uit diverse landen (het gesprek was in het Engels) hadden een fijne eerste vraag: ,,Wat is KEDO?'' Ze wist dat dit iets te maken had met energievoorzieningen aan Noord-Korea - maar details had ze niet paraat. Toen kwamen er vragen over de Helms-Burton Act, Mercosur en bevoegdheden in de eerste en derde pijler. Toen ze ook het exacte verschil niet kon aangeven tussen de EU-associatie-akkoorden met Israël en Libanon, wist ze: jammer, maar helaas.

Later kreeg ze een brief met de mededeling dat ze inderdaad was gezakt. Op het nippertje: van de 57 punten die ze moest hebben, had ze er 56,5.

Typisch geval, zou Robert Gielisse zeggen, een Europees ambtenaar die al jaren als jurylid bij Concours fungeert. Hij schreef in 2003 een nuttig boek over het examen: Europese Vergelijkende Onderzoeken. ,,Deze manier van selecteren is Nederlanders vreemd. Ik zie steeds weer valabele mensen die afvallen.'' Dat het Concours zeker veertien maanden duurt, schrikt velen af. Ook zijn Nederlanders, vergeleken met Belgen of Fransen, slecht getraind op weetjes en verkijken ze zich op hun talenkennis. ,,Wij denken vaak: `O, dat doe ik wel even'.''

Gielisse hamert op gerichte studie nu meer dan ooit. Sinds de uitbreiding van de EU hebben bollebozen uit de tien nieuwe lidstaten, die in Brussel zwaar ondervertegenwoordigd zijn, bij het Concours een streepje vóór. Vorig jaar werd er zelfs een speciaal Concours voor hen gehouden: 25.000 aanmeldingen voor 500 plaatsen. De komende zeven jaar worden er 3.500 mensen uit de nieuwe landen geworven. Intussen blijft het aantal Europese ambtenaren in vaste dienst door zuinigheid van EU-nettobetalers als Nederland gelijk: tussen de 21.000 en 22.000.

Wie door het Concours heenkomt, heeft nog geen baan. Geslaagden komen eerst op de `reservelijst'. Vanuit die positie mag je twee jaar lang solliciteren op vacatures. De Permanente Vertegenwoordiging van je land en bekenden kunnen daarbij helpen: die weten wat er vrijkomt, leggen contacten. Maar ook dat is niet zo simpel meer. ,,Ik sta al anderhalf jaar op de reservelijst'', zegt een jonge Duitser. ,,En steeds zeggen bazen: `Sorry, maar ik heb nog geen één Oost-Europeaan.' Ik vraag me wel eens af: is alle moeite voor niets geweest?'' Ook Gielisse heeft zelf net een Pool en een Slowaak aangenomen. ,,Dat is de consequentie van de uitbreiding. Nederlanders hebben gewoon minder kans dan vroeger om via het Concours binnen te komen.''

Toch geeft Gielisse gezakte kandidaten nog steeds het advies: opnieuw proberen. Er is geen leeftijdgrens voor het Concours, geïnteresseerden mogen meedoen zo vaak ze willen. Mensen die in Brussel bij non-gouvernementele organisaties of lobbykantoren werken, of hun tijdelijke contract bij de Commissie of het Parlement willen omzetten in een vast contract, doen het Concours soms drie of vier keer ook de Duitser zakte twee keer voordat hij er doorheen kwam. Maar wie in een ander land woont, geeft sneller op. Het aantal Nederlandse recidivisten is klein. In Nederland is het aantal mensen dat zelfs maar van het bestáán van het Concours weet, erg klein.

In de beleidsnota `Meer Nederlanders binnen Europa' stelde de regering in 2000 vast dat die onbekendheid met het Concours één van de oorzaken was voor de ondervertegenwoordiging van Nederlanders in Brussel. Sindsdien steekt de overheid geld in voorlichting over het Concours en trainingen voor deelnemers. De Britten doen dat al twintig jaar. Gelijk hebben ze, vindt Gielisse: ,,Alleen op topniveau krijg je mensen van buiten in Brussel benoemd. De rest komt alleen via het Concours binnen. Als je landgenoten op goede posities wilt hebben, moet je aan de basis beginnen.''

Sinds 2001 wordt er vóór elk Concours een voorlichtingsdag gehouden. Geïnteresseerden worden per email ingeseind. Voor elk Concours worden er mensen geselecteerd voor trainingen van zeven tot tien dagen, op zaterdag of 's avonds. Dat helpt. Van alle Nederlanders die de reservelijst haalden na de vier Concours die er sindsdien zijn gehouden én afgerond, heeft 90 procent zo'n training gehad.

,,Veel mensen komen hier en roepen: `Ik ken m'n vak toch?','' zegt Adrienne Schouw van het Bureau Internationale Ambtenaren (BIA), dat de trainingen organiseert. ,,Wij zeggen dan: pas op, het is een eliminatieslag. Je moet niet alleen goed zijn, je moet bij de allerbesten horen!'' In Zuid-Europese landen krijg je vrij als je een Concours doet en moedigt je werkgever je aan. In Nederland niet, merkt Schouw. ,,Aan een Concours meedoen betekent hier: `Ik Wil Weg'. Soms loop je een promotie mis omdat de baas denkt: `Die is over anderhalf jaar toch weg'.'' Dit slaat ook op bazen bij de overheid zélf: een derde tot een kwart van de deelnemers aan de trainingen van BIA is ambtenaar.

De overheid geeft wel meer dubbelzinnige signalen af. Terwijl het beleid erop gericht is om méér Nederlanders in Brussel te krijgen, is het BIA-budget vorig jaar door de bezuinigingen gekort (met hoeveel, wil BIA niet kwijt). Nieuwe cursussen worden niet meer ontwikkeld. Een pakket voor zelfstudie komt er evenmin. Zonde, zegt Schouw. ,,Omdat veel deelnemers geheim willen houden dat ze aan een Concours meedoen, durven ze niet op de trainingen te komen. Je zult een collega tegenkomen! Zelfstudie is voor hen ideaal.'' Zo was er vorig jaar een Concours voor nucleair specialisten. Daar zijn er zo'n vijftig van in Nederland. Die kennen elkaar allemaal. ,,Van de vijfentwintig Nederlanders die meededen aan dat Concours, kenden we er vijftien. Maar we hebben er maar vijf getraind.''

Zo blijft het Concours voor Nederlanders een beetje wat het altijd was: een ver-van-mijn-bed-show. Wie al in Brussel zit, zoals de diplomate, loopt er door zijn werk of sociale contacten vanzelf tegenaan. Maar in Nederland blijft het Concours hoofdzakelijk weggelegd voor ,,de goed-opgeleide elite, meestal uit de hogere sociale klassen, die toch al in een meer internationale omgeving opereren'', zoals Schouw het gros van de cursisten omschrijft. Voor veel anderen blijven de obstakels domweg te groot.