Digitaal monument joodse gemeenschap

In het artikel over het digitaal monument joodse gemeenschap in Nederland (NRC Handelsblad, 27 april) ben ik in een bepaalde kwestie niet duidelijk in mijn uitspraken geweest. Het betreft de door mij geschreven, korte biografische notities over omgebrachte joden. Het zijn er ruim 7.000 en ik hoop er de komende jaren nog velen aan toe te voegen. Op de vraag of ik alles wat ik in archieven en boeken vind in de biografische notitie opneem, heb ik ontkennend geantwoord: zaken als incest, verraad en oplichterij vermeld ik niet. Incest ben ik bij mijn onderzoek in het geheel niet tegengekomen, verraad en oplichterij wel.

Direct daarop kwam de botsing aan de orde tussen mijn persoonlijke, emotionele benadering en de wetenschappelijke benadering van de projectleiding op het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Uit de neerslag van het gesprek blijkt dat ik hierbij te kort door de bocht ben gegaan. Het lijkt nu alsof de projectleiding – vanwege de wetenschappelijk benadering – gevallen van incest, verraad en oplichterij wenste op te nemen. De projectleiding heeft nimmer druk op mij uitgeoefend dit soort zaken in de biografische notities te vermelden.

De botsing tussen mij en de projectleiding betreft een andere kwestie, namelijk de registratie van joden die de oorlog hebben overleefd. Om een vergelijking te kunnen maken tussen de joden die de oorlog hebben overleefd en de joden die het niet hebben overleefd, wil de projectleiding de overlevende joden registreren. Ik heb me daartegen verzet. In open discussies met de projectleiding heb ik die strijd verloren.

Ook al zijn er veiligheidsmaatregelen genomen (extra beveiliging van de gegevens, anonimiseren van die gegevens en vernietiging ervan binnen zes maanden), blijf ik het ongepast vinden binnen het kader van het digitaal monument voor de joodse gemeenschap in Nederland – een eremonument voor de omgekomen joden – de overlevende joden te registreren. Deze registratie is geheel buiten mij omgegaan.