Bush in Europa

President Bush is een charmante man, daarvan hebben de Europeanen zich in deze dagen van de herdenkingen kunnen overtuigen. Op de televisie was te zien dat hij de beste vrienden is met collega Poetin, Bondskanselier SchRÖder, premier Balkenende, andere wereldleiders, en zelfs weer een beetje met president Chirac. Overtuigender nog was mevrouw Judith Oostwegel, zijn gastvrouw in het Limburgse hotel Château St. Gerlach. Bij Barend, Van Dorp en Mulder vertelde zij met onverhulde geestdrift over haar ontmoeting: hoe de president haar recht in de ogen had gekeken, wat voor innemende persoonlijkheid hij was.

Ook de toespraken vielen goed. We zijn het eens met zijn plan om overal vrijheid en democratie te brengen. En zo hebben de Europeanen meteen van dichtbij kunnen zien hoe de Amerikaanse politiek kan werken. Meer nog dan hier is daar de persoonlijkheid van belang, en vooral de manier waarop de politicus zich weet te `verkopen'. Daarin is Bush steeds beter geworden. Door zijn eenvoud, zijn voortdurend belijden van hoge morele beginselen en openbare afschuw van het compromis spreekt hij `de gewone mensen' aan.

Het is bij de Amerikaanse verkiezingen weer bewezen, en het blijkt nu op zijn Europese reis. In Tiblisi riep hij Georgië uit tot een lichtend voorbeeld voor de vrijheid en kreeg van de tienduizenden een ovatie. Geen gering politiek talent.

Grote herdenkingen als deze, belangrijke begrafenissen en huwelijken hebben een nevenfunctie. Ze kunnen worden gebruikt als informele topconferenties waar de wereldleiders zonder agenda en drukkende politieke publiciteit van gedachten kunnen wisselen.

Nu de oorlog in Irak langer duurt en een veelvoud kost van wat Washington had verwacht, neemt de behoefte aan bondgenoten weer toe. Op Tony Blair valt na diens overwinningsnederlaag niet meer rotsvast te rekenen. De Britse kiezers hebben een goed geheugen. De ernstige afkalving van Labour is te danken aan zijn leugens over Irak, die hem in het voorspel tot de oorlog in staat stelden, Bush met hondentrouw te volgen.

Ondanks de soevereiniteitsoverdracht, verkiezingen en de vorming van de eerste democratische regering verkeert Irak in een staat van ernstige desorganisatie. Dat heeft onvoorziene gevolgen voor de Amerikaanse slagvaardigheid. In een geheim rapport waarvan de New York Times een kopie in bezit heeft gekregen, verklaart generaal Richard Myers, voorzitter van de chefs van staven, dat de voortdurende aanwezigheid in Afghanistan en Irak een Amerikaans militair optreden in andere crisisgebieden zou belemmeren. De reserve aan precisiewapens is sterk verminderd, de troepen in Irak werken onder hoge druk en staan op het ogenblik bloot aan grotere risico's dan een jaar geleden. Wel, zegt Myers, blijft Amerika in staat, ieder conflict te winnen, maar er moet rekening mee worden gehouden dat het langer zou kunnen duren, en dat daarbij meer levens verloren zouden gaan, van Amerikaanse soldaten en buitenlandse burgers in collateral damage.

Dit doet de vraag rijzen naar de vooruitzichten in het Irak van nu. Is daar het begin van een burgeroorlog gaande, tussen de minderheid van soennieten die de onderdrukking door shi'ieten en Koerden vrezen? Of is het een nationalistische opstand? Of zijn het fundamentalistische, voornamelijk buitenlandse terroristen die in Irak een vruchtbaar werkterrein zien? Welke deskundige je ook leest, geen kan een duidelijk antwoord geven. Het is geen Vietnam, zegt Peter Maass, verslaggever voor de New York Times ter plaatse. Denk eerder aan Nicaragua, de strijd tussen de linkse regering en de contra's, tussen 1980 en 1992. Die heeft op een bevolking van zes miljoen aan 70.000 mensen het leven gekost. Zo'n binnenlandse oorlog kan tien tot twintig jaar duren. Volgens Toby Dodge van het Institute for Strategic Studies in Londen moeten we er in het beste geval rekening mee houden dat de orde over vijf jaar hersteld is, want zo lang zal het duren voordat het Iraakse leger en de politie in staat zullen zijn om zelfstandig hun werk te doen. Geciteerd in The Economist. Sla er een slag naar.

Washington blijft officieel optimistisch. In de afgelopen twee weken zijn bij terreuraanvallen, veel daarvan zelfmoordaanvallen, meer dan 300 mensen gedood. Amerikaanse officieren ter plaatse voorspellen dat het verzet dit tempo niet kan volhouden. Het zijn wanhoopsaanvallen die op z'n hoogst nog een jaar kunnen duren. Intussen zijn de Amerikanen opnieuw een offensief begonnen waarbij zeker 100 rebellen zijn gedood. Is dat een stap voorwaarts?

Een half jaar geleden begon de aanval op Falluja. Die stad werd voor een groot deel verwoest, het verzet was een zware slag toegebracht, meldde Washington. Kennelijk niet zwaar genoeg. Vandaag zijn bij zelfmoordaanvallen opnieuw tientallen doden gevallen.

De hoop is gevestigd op de nieuwe Iraakse regering. Dat die niet onmiddellijk een perfect team is, wie zou het verwachten. Eén van de sleutelposten wordt bezet door de heer Chalabi, eertijds emigrant en informant over de massavernietigingswapens, daarna door de toenmalige proconsul Paul Bremer aan de kant gezet, en nu minister van olie. Een mooie carrière, dat is het geringste wat je ervan kunt zeggen.

Het bevrijde Irak is een molensteen voor de Amerikaanse buitenlandse politiek. Iran en Noord-Korea dienen zich steeds dringender aan. De openbaar beleden vriendschap tussen Bush en Poetin gaat gepaard met het even openbare heimwee van laatstgenoemde naar de glorie van de Sovjet-Unie. Op de achtergrond verrijst het nieuwe China als de reus van de toekomst. Het Westen in zijn geheel wordt belaagd door nieuwe vraagstukken.

President Bush wekt met zijn toespraken in Europa over vrijheid en democratie bij de herdenkingen bijval. Wat anders. Maar het politieke doel van zijn reis is een opening tot herstel van het Atlantisch bondgenootschap, en daarmee een nog aarzelend en gedwongen afscheid van het unilateralisme. De komende maanden is het aan de Europeanen te onderzoeken wat het waard is.