Verslavende korte film condenseert

Niet alle films hoeven begrepen te worden, vinden de programmeurs van de Kurzfilmtage in Oberhausen. Het opmerkelijk uitgesproken programma toont een verwarrende wereld.

Ook na 51 jaar is het voor een in korte films gespecialiseerd filmfestival als de Kurzfilmtage in Oberhausen nog steeds niet eenvoudig om te vertellen wat een korte film nu eigenlijk is. Korter dan een uur, in ieder geval. Maar dat is een criterium dat de curatoren van een schilderijententoonstelling bijvoorbeeld voor de onmogelijke opgave zou stellen alleen miniaturen te selecteren, ongeacht wat ze verbeelden. Ook een kortfilm is meer dan alleen een korte film. Al is de beperkte duur wel dwingend waar het om het condenseren van traditionele filmische middelen en vertelwijzen gaat.

Dat blijkt ook uit de 66 films die draaien in de Internationale Competitie van het festival. Of ze nu traag zijn of snel, 120 seconden duren (de kortste bijdrage) of 35 minuten (de langste), persoonlijk zijn of politiek, grappig, luidruchtig, stil, hermetisch, vreemd, saai, ergerlijk, melancholisch of alleen maar onuitsprekelijk mooi. Ze zijn het filmische equivalent van de essence die andere filmers tot parfum zouden verdunnen of een wat vluchtiger eau de toilette. Gevaarlijk sterk om aan te ruiken. Verslavend. En soms zo duizelingwekkend dat het even duurt voordat je de oorspronkelijke geurstof herkent. Is het fictie of documentaire? Is dit een dagboek, een grap, oud of nieuw materiaal, is het een noodkreet of een gedicht?

Het moet die prettige verwarring zijn die de programmeurs van Oberhausen voor ogen stond. ,,Niet alle films hoeven begrepen te worden'', staat op hun t-shirts en in de catalogus nog eens, dat ze ,,gekozen hebben wat ze niet begrepen.'' Soms begrijp je het als toeschouwer ook niet, zoals de Indiase film Kshya, thra, ghya (X, Y, Z), door regisseur Amit Dutta (1977) omschreven als een `film in een film'. Maar dan wel een fascinerende actiefilm over zaadpluisjes, lichtgevende vissen, aardbevingen en zwanen die Hindoeïstische fabels fluisteren. En die staat dan in de catalogus nog simpelweg beschreven als ,,het verhaal van een jongen op weg naar school.''

De films die je het meeste dwingen mee te gaan zijn allemaal reizen. Soms simpelweg door een hotelkamer, waarin Engelsman John Smith (1952) op de dag van de begrafenis van Yasser Arafat terugreist in de tijd. In Throwing Stones leidt hij ons via ogenschijnlijk vrije, maar in feite streng gestructureerde associaties terug naar andere hotelkamers en historische gebeurtenissen. Bed, spiegel, bureau, het schilderij aan de muur, meer heeft hij niet nodig om op de wereld na 9/11 te reflecteren.

Laura Waddington (1970) richtte in door zoeklichten doorsneden nachten een piepkleine dv-camera op de vluchtelingen in het Franse opvangkamp in Sangatte waar mensen die twee jaar eerder uit Irak of Afghanistan vertrokken uur na uur zinloos proberen illegaal de kanaaltunnel naar Engeland door te komen. De beelden in Border zijn van een stille droevige schoonheid die je niet eens begrijpen wilt, omdat ze je binnenloodsten in iets essentiëlers: een ervaring van zweet, kou en ontheemding.

Daarna mag je even verpozen bij de mooie Maleisische liefdesgeschiedenis A Tree in Tanjung Malim (Tan Chui Mui, 1978), onder de indruk zijn van heerlijk haarscherp 35mm CinemaScope in Optical Sound (Mika Taanila, 1965) of juist van de alleszins warrige en wiebelige 8mm-ode Mariko's 30 Pirates (Mariko Tetsuya, 1981). En dan simpelweg lachen: om een tijger die de billen van een meisje likt in de kleianimatie Tiger Licking Girl's Butt van de Zweedse Nathalie Djurberg (1970).

Hoogtepunten uit Oberhausen later dit jaar in Nederlandse filmtheaters.