Veel brillen in één montuur

De verre einder, het dichtbije boek en het beeldscherm worden voor velen op den duur onscherp. Eén bril voor alle ongemakken lijkt de oplossing. Met mutifocale glazen.

Presbyopen opgelet. Wie net bij Blokker of het benzinestation voor een paar euro zijn eerste leesbril heeft gekocht, is in principe kandidaat voor een multifocale bril van een paar honderd euro. Dat scheelt, en niet alleen financieel. Op middelbare leeftijd begint de ooglens stugger te worden terwijl de spieren die de lens sterker moeten maken om nabije objecten scherp te krijgen verzwakken: presbyopie.

Bijna elke vijfenveertigplusser is toe aan een bril die op een afstand van 30 tot 80 centimeter de brandpuntsafstand van de ooglenzen iets verkort, een leesbril dus; maar het gros van de startende leesbrildragers ziet brilloos nog prima op anderhalve meter afstand, in de verte, en alles daartussen. Sterker: met een leesbril op zien ze de einder wazig. Voor de verte heeft een presbyoop sterkte 0 nodig, voor nabij +1 of +2. Dus gaat die leesbril tientallen keren per dag op en af, en dat kost tijd en daardoor geld. En het kost nog meer als je in de verte ook een correctie nodig hebt. Dan moet steeds de ene bril door de andere worden vervangen. Bij vijf seconden per wisseling en dat vijftig keer per dag maakt dat op jaarbasis 365 maal 250 seconden, is 25 uur per jaar.Bij 40 euro per uur duizend euro. Dus een multifocale bril, een reeks brillen in één montuur, is snel terugverdiend. Van onder naar boven verloopt de sterkte van een multifocale bril, afhankelijk van wat de drager nodig heeft.

Wie veraf een sterkte van +1 nodig heeft en bij het lezen +3 extra, krijgt glazen die van boven naar beneden van +1 naar +4 verlopen – uitgaande van het idee dat de brildrager lectuur onderin zijn blikveld positioneert en dat hij recht vooruit in de verte kijkt. Probleem: dat is lang niet altijd het geval. Een piloot heeft zowel beneden als boven een leesgedeelte nodig omdat ook aan het plafond van de cockpit allerlei indicatoren en knoppen zitten. Voor de brilleveranciers geen punt, zo'n `pilotenbril', die van boven naar beneden verloopt van, bijvoorbeeld, +4 via +1 (voor in de verte) naar +4. Ook populair bij automonteurs die veel onder de brug moeten werken.

Het probleem is daarmee niet opgelost. Een multifocale bril met een reguliere opbouw van de sterkte – beneden voor lezen, boven voor ver – voldoet in tal van situaties absoluut niet. Een ontevreden ex-multifocusdrager over het dragen van een multifocale bril: ,,Als ik naar beneden wilde kijken moest ik mijn hoofd heel raar draaien om toch door het bovenste deel van de bril te kunnen zien.'' En over zijn pogingen briefjes te lezen die op ooghoogte tegen een muur waren geprikt: ,,Dan moest je je hoofd helemaal achterin je nek gooien om door het leesgedeelte te kunnen kijken.''

Bij Pearle opticiens (200 vestigingen) is een derde van alle verkochte brillen multifocaal. En volgens chef marketing Willemijn Schneyder komt er gemiddeld per jaar per filiaal één multifocale bril terug omdat de klant er ongelukkig van werd. Een denderend succes dus, in elk geval commercieel.

De veronderstelling dat nabije objecten zich altijd onder in ons blikveld bevinden en verre objecten hogerop, is in zo veel gevallen onjuist dat het succes van de multifocale bril toch verrassend blijft. Sylvia van Empel, opticien en rayonmanager bij Pearle, ziet dat anders. Volgens haar is succesvol multifocaal kijken deels een kwestie van training, deels van oplossingen die het brein zelf kiest. ,,Als je naar je voeten wil kijken dan gaat het mis als je alleen maar met je ogen beweegt, dan zal je dus wel je hoofd moeten bewegen. Een periode van gewenning is altijd noodzakelijk. ''

Bij het hoofdkwartier van Hans Anders (250 vestigingen) heeft inkoper Eric Hurkmans ruwweg dezelfde ervaring: ,,Een drager van een multifocale bril gaat automatisch meer draaien met zijn hoofd en minder met zijn ogen. En naarmate je het leesdeel breder maakt beweegt het hoofd minder en bewegen de ogen meer.'' De breedte van het leesgedeelte is een belangrijke kwestie. Het verloop van de sterkte van het glas in de verticale richting veroorzaakt twee onbruikbare verloopzones, linksonder en rechtsonder in elk glas. Ze zijn het breedst op het midden van de verticale as van het glas. Hoe kleiner die nutteloze gebieden, hoe duurder de bril. Met een goedkope multifocale bril (ongeveer 100 euro excl. montuur) heb je een smal leesgedeelte. Draai je ogen iets te veel naar links of rechts en je hebt geen beeld, alleen hoofdbewegingen werken. Die zijn nog harder nodig wanneer de blik iets hoger wordt gericht, precies waar het beeldscherm van de computer staat. Wie daar wat manoeuvreerruimte voor de ogen wil hebben komt terecht bij een bril van 350 euro of meer. Hurkmans tekent daarbij aan dat ook dragers van enkelvoudige brillen (= monofocaal) meer met hun hoofd bewegen dan de niet-brillende bevolking. ,,Want in theorie is alleen het middelpunt van een enkelvoudige bril optisch zuiver.'' Hij adviseert multifocale brildragenden het gebruik van een aparte leesbril als multifocaal niet nodig is, bijvoorbeeld bij bureauwerk.

Behalve het slijpproces van een multifocale bril is er nog een bron van vertekening: de brekingsindex van het glas. Bij mineraal glas bedraagt die maximaal 1,9 en bij kunststof 1,74. Hoe hoger de brekingsindex hoe meer vertekening in de verloopzones, dus hoe belangrijker het is die klein te houden, waardoor de bril duurder wordt, benadrukt Van Empel. Gebruik dan glas met een lage brekingsindex, zou de leek denken. Maar dat idee verdraagt zich niet met de heersende mode om de glazen klein te houden: dat vraagt weer om een hoge brekingsindex. Kortom: de mode dicteert dure multifocale brillen, tenzij je genoegen neemt met grote verloopzones, een smal leesgedeelte en verminderd kijkplezier.

De trend bij multifocale brillen gaat volgens Hurkmans en Van Empel naar de verwerking van steeds meer individuele variabelen in het glas. Bijvoorbeeld: wie leest kijkt altijd een beetje scheel. Nu gaat multifocaal standaard uit van een verschuiving van het leesgedeelte van twee millimeter richting neus. ,,Maar dat kan bij een bepaald persoon best 1,8 millimeter zijn'', aldus Hurkmans. ,,Een bril heeft een voorcurve en een achtercurve. De voorcurve is gereed, dat is massaproductie. En door het slijpen van de achterkant wordt het glas voltooid. Bij die individualisering wordt straks ook de ideale voorcurve van de klant helemaal berekend.'' Van Empel voorziet binnen vijf jaar de komst van apparatuur waarmee het kijkgedrag van de aanstaande multifocale brildrager wordt geanalyseerd. In de brillenwinkel loop je een minuut of tien rond met een helm vol sensoren die precies vaststellen hoeveel je met je ogen beweegt en hoeveel met je hoofd bij verandering van kijkrichting. Van Empel: ,,En er komt een vragenlijst: doe je aan sport, hoe veel zit je achter de computer, enzovoort. En dan worden de glazen helemaal op maat geslepen.''

Een compromis blijft het. Wie heel veel achter de computer zit en daarvoor de ideale multifocale bril kocht, zal zich bij het parasailen of bungyjumpen toch een andere wensen. De ideale multifocaaldrager heeft een simpel, gestandaardiseerd kijkgedrag. Wie bijna altijd op de bank televisie kijkt óf een kruiswoordpuzzel oplost, kan zich een bijna perfecte multifocale bril laten aanmeten. Maar in zo'n geval volstaat ook de ouderwetse bifocale bril met het ingeslepen halve maantje onder in het glas: nog steeds leverbaar, nog steeds populair bij oudere brildragers en goedkoper dan multifocaal.

Eerste van twee artikelen over multifocale visuele hulpmiddelen. Volgende keer: multifocale contactlenzen.