Schiller en de vrijheid

,,Mijn geest dorst naar daden, mijn adem naar vrijheid'', schreef Friedrich Schiller (1759-1805) in zijn eerste theaterstuk, Die Räuber, uit 1781. Vrijheid, dat is een sleutelwoord in het werk van de dichter, toneelschrijver en filosoof, wiens tweehonderdste sterfdag gisteren werd herdacht. Opgegroeid in de ,,onverdraaglijke kazernegeest'' van het vorstelijke despotisme, luidt zijn eerste eis (zoals onder woorden gebracht in Don Carlos over de Nederlandse vrijheidsstrijd tegen het absolutisme van de Spaanse koning): ,,Sire, geef ons vrijheid van gedachte!''

De Schillerherdenking viel samen met (en werd uiteraard overschaduwd door) de herdenking van de overwinning op het Derde Rijk. Voor de Duitse pers was deze toevallige samenloop aanleiding tot beschouwingen waarin Schiller en Hitler tegenover elkaar, en soms in elkaars verlengde, werden geplaatst.

De dichter is duizendmaal doder dan Hitler, verzuchtte Manfred Schneider, een literatuurwetenschapper, in de Frankfurter Rundschau. ,,Historisch zowel als politiek staat Hitler ons nader en is het Derde Rijk ons vertrouwder dan de schrijver van de Jungfrau von Orleans en Wilhelm Tell.'' Over Schiller hoor je hooguit op school blijkbaar is het Duitse onderwijs nog niet zover afgegleden dat men er zijn klassieken niet meer leert maar naar welke scholen gaan deviezenspeculanten en industriëlen?, vraagt Schneider. Zijn conclusie: Schiller heeft als de dichter van het idealisme niets meer te zeggen aan de wereld van de New Economy, want het neoliberalisme heeft met ,,vrijheid van gedachte'' niets te maken.

Deze klacht stemt wonderwel overeen met opmerkingen van de schrijver Günter Grass naar aanleiding van die andere herdenking, die van de bevrijding van zestig jaar geleden. Grass vraagt zich af hoe de Duitsers de hun geschonken vrijheid hebben gebruikt. ,,Welnu, ik beweer dat onze vrij gekozen afgevaardigden niet meer vrij zijn in hun besluiten.'' De lobbyisten, de belangengroepen, de machtige ondernemersorganisaties, de banken en concerns die niet onder democratische controle staan, maken de dienst uit. Het parlement is ,,een filiaal van de beurs''. De democratie onderwerpt zich aan `het dictaat van het globale flitskapitaal'. De kiezers komen niet meer opdagen, omdat verkiezingen een farce zijn. ,,Wederom stel ik de vraag: Wat is er van de ons zestig jaar geleden geschonken vrijheid geworden, betaalt zij zich alleen nog maar uit als winst op de beurs?''

Deze hartenkreten, of zij nu Schiller of de bevrijding als aanleiding hebben, klinken schril en onheilspellend. Wat blijft er zo bezien over van het vrijheidsbegrip? Weinig meer dan de ongebreidelde vrijheden die het neoliberalisme zich veroorlooft.

Maar het is niet nodig genoegen te nemen met dit instrumentele gebruik van het idee van de vrijheid. Iemand die dat uitdrukkelijk niet doet, maar juist probeert aan de hand van Schiller bij te dragen aan ons begrip van de menselijke vrijheid, is de filosoof Rüdiger Safrankski. Hij publiceerde ter gelegenheid van de tweehonderdste sterfdag van de dichter een biografie (die in augustus in Nederlandse vertaling verschijnt: Friedrich Schiller of De uitvinding van het Duitse idealisme). Daarin bestempelt hij de dichter als ,,de Sartre van de late 18de eeuw'', dat wil zeggen als een filosoof van de vrijheid, voor wie het uiteindelijk aankomt op de mogelijkheid van een keuze, die ieder mens, zelfs in de meest uitzichtloze toestand, nog kan maken.

Daar heb je de ,,adem naar vrijheid''.

Maar wat een misbruikt, gemarteld, instrumenteel verknoeid woord is het.

Zelden heb ik het vaker gehoord dan in de toespraken die de afgelopen dagen gehouden zijn bij de plechtige herdenkingen van het einde van de Tweede Wereldoorlog. De Amerikaanse president Bush noemde de vrijheid het geboorterecht van de hele mensheid. Zijn Russische collega Poetin sprak van de overwinning van goed over kwaad en van vrijheid over tirannie. Bedoelden zij hetzelfde? Dat is de vraag.

Die vraag doet niets af aan de betekenis van de herdenkingen. De plechtigheden waren indrukwekkend zij het dat het militaire vertoon in Moskou weerzinwekkend overkomt. De woorden waren welgekozen, de dank aan de veteranen oprecht. En dat alle betrokkenen hun eigen diplomatieke en propagandistische agenda afwerkten, nou ja, in de Koude Oorlog zijn daar wel ergere staaltjes van vertoond.

Toch waren de subteksten deprimerend. Bevrijders zijn ook bezetters, daders zijn ook slachtoffers, bezetters komen om te bevrijden, slachtoffers zijn ook daders. Het is waar, veelal, maar de vraag is: maakt het dan niet meer uit of we van daders of slachtoffers spreken? Bijvoorbeeld: het Duitse volk was ook slachtoffer en het lijden van de Duitsers is pas sinds kort bespreekbaar. Een ander voorbeeld: de nazi-legers zijn in 1941 door grote delen van de bevolking van de Baltische landen als bevrijders ingehaald en kregen volop hulp bij de jodenjacht, maar de volken in de Baltische landen hadden daarvoor en hebben daarna zwaar geleden onder de Russische bezetting.

De historische feiten laten zich op alle mogelijke manieren rangschikken, de historische waarheid verkleurt onder het prisma waardoor men kijkt. Stelselmatig werd en wordt de historische waarheid verdraaid om machtspolitieke, ideologische of propagandistische redenen. Dit voortdurende kleurverschieten gaat door tot op de dag van vandaag. Zijn de Amerikanen in Irak bezetters of bevrijders, bestrijden de Russen in Tsjetsjenië terroristen of onderdrukken zij een volk, verdedigt Israël zijn veiligheid of tiranniseert het de Palestijnen, of is dat allemaal tegelijk waar en zo ja, moeten we dan maar onder de Tweede Wereldoorlog voorgoed een streep zetten, omdat het toch niet uitmaakt wie wanneer aan welke kant streed en voor welke idealen?

Nee. Wat ik mooi vond aan de herdenking, was de eensluidende boodschap: wij zetten onder dit verleden geen streep. Wat ik er echter deprimerend aan vond, was de banalisering van de vrijheid als historische categorie: nu zus, dan zo, al naar het uitkomt. Anders gezegd: het doet er niet toe. Maar dat is nu precies de ontkenning van de vrijheid. Wij kunnen kiezen. Hoe iemand kiest, in een gegeven historische omstandigheid, maakt wél uit. Dit was wezenlijk voor de aanstekelijke vrijheidsgedachte van Friedrich Schiller. Daarom was de samenloop van de herdenking van de bevrijding met de Schillerherdenking toch wel aardig.